Onderzoeken en ontwerpen met lucht…

In de technieklessen ontdekken we. Ook gewone dingen. Want juist het gewone kan zo magisch zijn. Neem nou lucht. Het is om ons heen maar we zien het niet. Toch heeft lucht enorm veel kracht. Het kan een vogel dragen maar ook een vliegtuig. Het kan een molentje laten draaien maar ook huizen de lucht in blazen. In de onderbouw van het primair onderwijs is het belangrijk dat leerlingen door spel de wereld ervaren. Spelen is leren en taal geven aan de dingen om je heen. Voor deze lessen over lucht was daar niet heel veel voor nodig. Een föhn, wat transparant plastic, een lange luierzak en je zit ook bij kleuters zo bij de wet van Bernouilli

Je kent Bernoulli niet? Bij mij hoorde hij in het rijtje van weggezakte middelbare schoolkennis. Maar bij het voorbereiden van deze lessen kwam hij weer voorbij. En iedereen kan met hem kennismaken door deze filmpjes te bekijken. Het filmpje van School-TV hieronder legt goed uit hoe de wet van Bernoulli werkt. Je kunt er onder andere mee verklaren hoe vogels en vliegtuigen vliegen.

Dit jaar geef ik de technieklessen op OBS De Startbaan aan groep 1 tot en met 4. Leerlingen die al wat ouder zijn willen weten hoe iets werkt. Het heeft hun interesse om dingen te kunnen begrijpen. Jonge kinderen leren vooral door te ervaren en te ontdekken. Voor hen is de verwondering en de ervaring vaak al genoeg. Bij groep 4 geef ik al wat meer uitleg terwijl ik de kleuters vooral laat doen en proberen. Technieklessen over dezelfde onderwerpen kunnen met dezelfde materialen dus vaak op allerlei niveaus gegeven worden.

Onderbouw po
In de onderbouw van het basisonderwijs ligt het accent op materiaalkennis. Is het materiaal zwaar of licht? Is het buigzaam, stevig of slap? Kan ik vormen maken uit het materiaal? Welke vormen vangen veel lucht? Met welke materialen kan ik welke vormen maken? En hoe zweven die verschillende vormen dan?
Als je antwoorden hebt gevonden op dit soort vragen kun je ook gaan ontwerpen. Spelenderwijs maakten de leerlingen objecten die door de lucht van de föhn op hun eigen manier omhoog konden zweven.

Vorm en functie
Door middel van het gebruik van verschillende materialen als plastic zakjes, pijpenragers, veertjes en diverse papiersoorten deden de leerlingen onderzoek naar wat het beste zweeft. Ze ontdekten hierbij dat een wokkel van een pijpenrager zichzelf letterlijk omhoog torpedeert, wat niet gebeurt met hetzelfde stukje materiaal als het recht van vorm blijft. Voor de midden- en bovenbouw zou het een leuke ontwerpopdracht kunnen zijn om een molen te bouwen. Iedereen weet dat we zoeken naar alternatieve energie en dat windenergie daaraan kan bijdragen. Maar windmolenparken hebben ook nadelen. Een onderzoekje vooraf naar welke soorten windmolens er zijn, met hun voor- en nadelen, levert kennis op die bij het ontwerpen ingezet kan worden.

Meer Bernouilli…
Een ander boeiend onderzoek voor de bovenbouw is welk vleugelprofiel het meeste lift geeft. Dit kan eenvoudig door dezelfde strook papier steeds met een andere bolling dubbel te vouwen.

Door er een pen of lolliestokje doorheen te steken en langs de bovenkant te blazen zal de ‘vleugel’ omhoog gaan. De leerlingen kunnen er over nadenken hoe ze dit onderzoekje gaan opzetten. Hoe zorg je dat je met maar één variabele werkt? Hoe ga je je observaties meten? Hoe registreer je je observaties? Bovenstaande foto’s komen van Harvard Graduate School of Education en maken deel uit van lesmateriaal om leerlingen te laten onderzoeken en ontwerpen met Bernouilli.

Veel ouders zouden blij zijn als ik ze vertel dat we onze kleuters zo de eerste stapjes leren zetten richting Harvard. Enkele van onze leerlingen zullen misschien inderdaad later wetenschappelijk onderzoek gaan doen, anderen zullen wellicht doorbreken met geniale ontwerpen. Dat zou ik geweldig vinden. Maar het mooiste blijft voor mij dat deze lessen op ieder niveau onderwezen en begrepen kunnen worden. En als ik de leerlingen wat zou willen meegeven, dan is het vooral dat ze moeten blijven spelen en zich blijven verwonderen, want zelf lucht is verwondering waard. Ter verwondering en bewondering daarom nog tot slot dit filmpje van Jan van IJken…

Wordt vervolgd,
Juf Annemarie

 

Onderwijsdag met CultuurSchakel: ontmoetingen met cultuuraanbieders, Jelle Jolles en Gert Biesta…

Soms moet je de school even uit om je werkzaamheden op die school te overdenken, te verbeteren en te toetsen. Om even los van je dagelijkse doen met bekenden en onbekenden te praten en te luisteren naar hun ideeën. De Haagse Cultuuronderwijsdag van de CultuurSchakel, op woensdag 17 april, was zo’n moment. In de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten vonden ontmoetingen plaats tussen scholen en Haagse aanbieders van cultuur. Er was een heerlijke avondmaaltijd met als toetje lezingen van Jelle Jolles (Hoogleraar Neuropsychologie en directeur van het Centrum Brein & Leren) en Gert Biesta (Onderwijspedagoog en hoogleraar Educatie aan onder andere de Brunel University London). Hier volgt een verslag van mijn ervaringen van deze dag.

KABK
In het gebouw van de Koninklijke Academie heb ik 5 jaar lang rond mogen lopen. Ik ben er ‘afgestudeerd’ als schilder. Ik schrijf het woord ‘afgestudeerd’ hier tussen haakjes omdat je eigenlijk als schilder nooit afgestudeerd bent. Zelfs de grootste kunstenaars waren nooit ‘afgestudeerd’. Het is een levenslange zoektocht, op welk niveau je je ook bevindt. Wat onmiddellijk de vraag oproept of dat voor andere vakken ook geldt. Stiekem denk ik van wel. Het lopen door het gebouw riep bij mij weer een hoop herinneringen op. Het was de eerste school waar ik me thuis voelde. Een school waar ik beter heb leren kijken. Ik kwam er als 18 jarige vanuit Almelo voor naar Den Haag en heb die stad nooit meer verlaten. Er waren meer oud leerlingen. Met mensen die ik helemaal niet kende haalde ik herinneringen op over onze kunstacademietijd. Nu breng ik als cultuurcoördinator mijn liefde voor de kunsten de basisschool binnen. En deze middag was opnieuw een check hoe de manier waarop ik dit doe raakt aan hoe anderen hierover denken.

Aanbod

Er was een divers aanbod, zoals hierboven te zien is. Ik leerde dat West Den Haag en Anna Vastgoed en Cultuur een nieuwe culturele hotspot realiseren in de voormalige Amerikaanse ambassade. Ik sprak met Ludette el Barkany van ‘Huis van Gedichten‘ over de waarde van poëzie en hoe wij leerlingen daarmee in contact brengen. Dat gesprek was zo leuk en we hadden zoveel gemeen dat we afspraken zeker nog samen een kop thee gaan drinken. Ik schreef me in bij Anouk Notenboom en Debbie Coninck Westenberg voor een leernetwerk over thematisch werken. Maar vooral het nagerecht bleef bij mij nog lang nagonzen. De afsluitende lezingen van Jelle Jolles en Gert Biesta waren beiden weer een toetssteen voor mijn werk als docent.

Ervaringen
Ik biedt leerlingen graag kennis aan via ervaringen. De verwerking van die kennis vindt in mijn lessen vaak plaats door MAKEN en DOEN. Hieronder een kort filmfragment over de laatste lessenserie waarin de onderbouw van het po kennis maakt met de kracht van lucht en hun ontwerpen test in de luchtkolom van een föhn (in mijn volgende blog volgt meer hierover).

De leerlingen zijn meestal enthousiast over deze aanpak. Ook collega’s en bestuurders vinden het ‘mooi‘ en ‘leuk voor onze pr‘. Maar het onderwijs dat ik graag wil geven is een manier van lesgeven die ook vaak onder vuur ligt: ‘Jij hebt er de tijd voor. Ik kan dit er echt niet bij doen.’; ‘Wat leren ze hier nu van?’; ‘We moeten eerst de basis op orde hebben.’ Als je dit soort vragen en opmerkingen krijgt over je werk ga je je inderdaad afvragen ‘wat de leerling nu leert’ in je lessen. Dat blijkt niet zo makkelijk. Je kunt immers niet in de hoofden van leerlingen kijken. En als je bredere leerdoelen hebt dan bijvoorbeeld ‘optellen en aftrekken over het tiental’, dan is dit nog niet zo eenvoudig te evalueren. Hoe toets je of een leerling beter gaat observeren? Hoe krijg je boven water of een leerling zijn creativiteit ontplooit? Je kunt natuurlijk gesprekken daarover voeren en leerlingen werkstukken laten presenteren, maar een echt compleet helder plaatje wordt het nooit. En moet je dat willen? En wat versta ik zelf eigenlijk onder ‘de basis’? Men bedoelt uiteraard dat rekenen en taal de vakken zijn die de kern uitmaken van het basisonderwijs. Wat vind ik daar nu zelf van? Deze vragen maken dat ik mijn eigen denken en handelen steeds toets aan onderzoek, meningen en bevindingen van anderen.

Jelle Jolles heb ik al diverse keren horen spreken en van Gert Biesta hebben we onlangs bij het ontwikkelteam ‘Mens en Natuur’ van Curriculum.nu, waaraan ik deelneem, zijn oratie ‘Tijd voor pedagogiek‘ (download: Oratie Biesta) bestudeerd, om zijn gedachtengoed over pedagogiek te verwerken in ons toekomstig curriculum.

Jelle Jolles
De lezing vanJelle Jolles was weer een feest van herkenning. Ik zoek zelf ook voortdurend naar manieren om door middel van het stellen van vragen denkprocessen bij leerlingen op gang te brengen.

Deze diashow vereist JavaScript.

En probeer leerlingen te laten verwoorden wat ze zien en wat ze denken…

Deze diashow vereist JavaScript.

Het lijkt een open deur maar…

Hoe vaak spelen kinderen nog ongedwongen, zonder leerdoelen, zonder ipad of telefoon, uit zichzelf?

Biesta: de pedagogische vraag

De lezing van Gert Biesta was wat abstracter maar zeker niet minder inspirerend. Volgens Biesta is de pedagogische vraag, de vraag van het ‘ik’. Het ‘ik’ staat in de wereld en het omgaan met die wereld is niet altijd makkelijk. Het lijkt alsof we leven in een tijd met onbeperkte keuzevrijheid. Maar op een wezenlijk niveau hebben we niet zoveel te kiezen. In welke omgeving we geboren worden en welke talenten ons ten deel vallen is een gegeven waar we mee moeten leren leven. We hebben te maken met weerstand binnen en buiten ons. Obstakels en tegenwerking in onze omgeving en onze eigen tekortkomingen staan het verwezenlijken van wensen en dromen in de weg. Hoe we daarmee omgaan is van belang. Natuurlijk kun je doorduwen en iedere weerstand willen overwinnen. In extreme vorm zijn terroristen, jihadisten en menig twitteraar daar erg goed in maar het risico bestaat dat je in het uiterste geval de wereld vernietigt. Als tegenovergestelde kun je bij het ontmoeten van weerstand je ook terugtrekken in jezelf. Het gevaar hierbij is dat je jezelf vernietigt. Dat dit aan de orde van de dag is bewijzen cijfers van de overheid die aangeven dat 1 op de 15 jongeren van 18 tot 24 jaar lijdt aan depressie. Het ‘thuis zijn in de wereld’ bevindt zich tussen deze uitersten. Het volwassen zijn manoeuvreert volgens Biesta in het grijze tussengebied. Een goede pedagogische aanpak ondersteunt leerlingen bij het zoeken naar die balans. We hoeven in de huidige maatschappij maar om ons heen te kijken om ons te realiseren dat het nog niet meevalt om je in het grijze midden te begeven dat niet zelden overschreeuwd wordt door uitersten.

Het pedagogische werk

Het is de taak van de pedagogiek om te onderbreken, om weerstand in te brengen. De wereld valt immers nooit helemaal samen met de wensen en identiteit van de leerling. Leerlingen zijn soms gefrustreerd door hun fouten, grenzen en problemen maar waar het schuurt gaan ze juist leren. Tijd, ruimte en steeds een andere aanpak zijn nodig om inzichten te verschaffen over onszelf en hoe we ons tot de wereld verhouden. Daarbij is steun van de omgeving belangrijk.

Kunst

Om je plek te leren vinden in de wereld kan een leerkracht of ouder je bijstaan. Maar ook kunst kan volgens Biesta de rol vervullen om te onderbreken, te vertragen of te ondersteunen en te troosten.

Helga Eng opperde dat kunst het leidend principe zou kunnen zijn voor ons onderwijs. Dat zou hier een hele revolutie betekenen. Van ‘de basis op orde‘ en ‘kunst als kers op de taart‘ naar ‘de kunst centraal stellen‘. Ik denk dan ook niet dat dit ervan zal komen. Ik voel me wel gesterkt door dit soort denkoefeningen omdat kunst in mijn leven altijd leidend is geweest. Als kind van 6 was dat al zo. Dat heeft niets te maken met topkunst of succesvol zijn in de kunstwereld. Het heeft te maken met een rode draad in je leven hebben waardoor je altijd verwonderd, getroost en uitgedaagd wordt door kunst en schoonheid in de wereld. Dat is een grote rijkdom.

Die rijkdom neem ik weer mee de klas in en de lezing van Gert Biesta heeft me daarin gesterkt. De manier waarop leerkrachten hun lessen vormgeven heeft ook te maken met hun ‘ik in relatie tot de wereld’. Ik kan eigenlijk niet heel anders gaan lesgeven dan ik nu doe. Door de jaren heen ontwikkel je een manier van doen, waarin je zoals Biesta schetst, je eigen grijze middengebied zoekt. Je ontwikkelt voorkeuren voor een leeftijdsgroep, voor een aanpak en voor de vakken die je geeft. Natuurlijk kun je die voorkeuren oprekken als de wereld er om vraagt, maar ook weer niet teveel want dan doe je jezelf geweld aan. De manier waarop ik werk geeft me energie. Ik heb de vrijheid nodig om het op deze wijze te doen. Net als een leerling ook vrijheid nodig heeft om zich te ontwikkelen. Een vrijheid die steeds ter discussie staat en die je steeds opnieuw moet verantwoorden en bevechten. Leren en lesgeven is geen product of protocol. Het is een proces. Het vindt dan ook niet alleen plaats op school. Als het goed is leer je overal waar je bent een leven lang.

Het was dus een mooie woensdag die nog voor langere tijd stof tot nadenken biedt. CultuurSchakel: dank hiervoor…

Wordt uiteraard vervolgd,
Juf Annemarie

 

Technieklessen onderbouw po: eerst onderzoeken dan ontwerpen…

Ook kleuters kunnen academische taal ontwikkelen. In de technieklessen gaan we moeilijke woorden niet uit de weg. De afgelopen lessenserie in de onderbouw ging over statische elektriciteit. Veel kleuters wisten al wat dat was. Ze konden beschrijven wat er gebeurde. Er werd genoemd ‘het doet pijn,’ of ‘een tik’. Door woorden te herhalen en zinnen te herformuleren ontstaat er een gesprek:
‘Oh je voelde dus pijn?’
‘Ja, en er was een tik!’
‘Dan heb je een schokje gehad. Dat was statische elektriciteit.’
‘Oh, elektriciteit…’
‘Ja, statische elektriciteit. Hoe kreeg je dat schokje?’
‘de autodeur…’
‘wilde je de autodeur opendoen?’

Veel leerlingen uit de onderbouw wisten ook al dat ballonnen statisch kunnen zijn en konden uitleggen hoe ze die statische elektriciteit konden opwekken: ‘Door de ballon over je haren te wrijven.’ Maar dat dit ook met een pvc buis kon wisten ze niet en ze konden niet voorspellen wat er gebeurde als je een pvc buis met een doek opwrijft en bij een ballon houdt. De proefjes uit het filmpje hieronder vonden ze dan ook heel spannend…

‘Onderzoeken’ in de onderbouw van het basisonderwijs betekent dan ook vooral bekend raken met verschillende materialen. Hierbij leren ze abstracte begrippen als ‘zwaartekracht’, ‘balans’, ‘magnetisch’ en ‘statisch’. Ook leren ze denkprocessen verwoorden als ‘voorspellen’, ‘onderzoeken’ en ‘verklaren’. Daar horen voegwoorden bij als ‘daarom’, ‘want’ en ‘omdat’. Ze leren al doende diverse verbanden leggen. Zie ook dit blog over ‘MAKEN in de klas als begrijpend DOEN’.

Nadat de leerlingen door de verschillende proefjes een begrip hadden gevormd van het fenomeen ‘statische elektriciteit’ mochten ze een tekening ontwerpen waarin elementen konden bewegen door statische elektriciteit. Daarvoor moesten ze bedenken welke dingen bewegen in hun tekening. Ze bedachten bewegende haren, vleugels, de cape van Batman, maar ook de beweging zelf werd soms heel mooi in beeld gebracht…

Hun ontwerpen moesten dus voldoen aan een programma van eisen:
1. Iets moest kunnen bewegen met statische elektriciteit
2. Zo laat de tekening een actie zien: Wapperende haren of flapperende oren

Hierdoor moesten de leerlingen ook nadenken over hoe ze iets gingen opplakken: waar zitten vleugels eigenlijk vast?; hoe laat ik een cape wapperen?

En dan is het fijn dat ze hierover kunnen praten met de hulpouders die ook tijdens het verkennen van de proefjes met de leerlingen hebben meegedaan.

Dank dus weer aan alle hulpouders, want technieklessen zijn intensief en in kleine groepjes kunnen alle leerlingen goed met al hun vragen terecht. Het is mooi dat ouders op deze manier samen met hun kinderen ontdekken, redeneren en argumenteren en een grote bijdrage leveren aan de lessen. Sommige ouders brengen hierbij hun eigen technische kennis mee en breiden de proefjes uit met hun eigen ideeën. Die ballon kan ook bij een waterstraal en hé wat leuk, je kunt hem ook tegen het smartboard plakken als hij statisch geladen is.

Ouders zijn in de technieklessen dus altijd welkom.

De volgende keer gaan we het hebben over de kracht van lucht.

Wordt dus vervolgd,
Juf Annemarie

 

Techniekles: observeren is niet hetzelfde als kijken…

99d9404f-6784-4b36-9e72-2bbd42578661Hoe belangrijk de vaardigheid ‘observeren’ is, bleek deze week in groep 7. De groep was bezig met een ‘eenvoudige’ les die op deze site staat. Een les over optische illusies. Hierbij speelt de vraag: zien we met onze ogen altijd de realiteit? En in het verlengde daarvan: in hoeverre nemen onze zintuigen de werkelijkheid waar? Om met deze vragen te oefenen kunnen de leerlingen een papieren bouwpakketje in elkaar zetten van een robothondje met een hol gezicht. Een hol gezicht is iets wat menselijke hersenen niet ‘begrijpen’. Onze hersenen vullen zelf het beeld van onze ogen in en maken er een diertje van dat ons blijft aankijken. Een verschijnsel dat als optische illusie bekend staat onder de term ‘Hollow face’. In onderstaand filmpje is mooi zichtbaar wat we zien als we naar een ‘hol gezicht’ kijken…

Leuk hè? Het robothondje blijft de camera volgen. Dat is niet wat er in het echt gebeurt. Dan blijft het hondje gewoon stil zitten, maar onze hersenen maken van het holle gezichtje een kopje dat onze camera blijft volgen.

Maar de juf van de klas kwam naar me toe met de mededeling ‘dat het niet lukte’. Ze hadden allemaal het hondje in elkaar gezet. Ze wisten allemaal dat het een hol gezichtje moest worden. Ze hadden ‘alles goed gedaan’ en toen een filmpje gemaakt waarop ‘niets’ gebeurde! Wat een teleurstelling! Hoe nu verder? De juf liet me onderstaand filmpje zien op haar telefoon…

De vraag aan u als lezer is nu: ‘Kunt u door te kijken naar dit filmpje erachter komen waarom het hondje hier niet zo leuk meekijkt naar de camera?’ Wat u nu doet is observeren. Kijken met een vraag in je hoofd. En vervolgens analyseren wat je waarneemt. Dit is niet slechts een activiteit voor de ogen. Het laat ook ons brein kraken…

Heeft u het antwoord al? Voor wie er nog niet uit is… Juist aan het eind van het filmpje wordt duidelijk dat dit hondje geen hol gezicht heeft. ‘Huh? geen hol gezicht? Maar we hebben hem toch hol gevouwen?’ Nee, niet dus… En dat heeft weer te maken met het feit dat zelfs het in elkaar vouwen van dit modelletje voor ons tegennatuurlijk aanvoelt. De leerlingen denken: ‘Ok, we vouwen nu een hol gezichtje’, maar nee, dat doen ze niet. Ze vouwen gewoon een ruimtelijk vormpje van een kop van een robothondje terwijl ze denken dat het hol is.

De hele klas had dezelfde ‘fout’ gemaakt. Interessant! Daaruit blijkt dus dat iedere leerling tegen zichzelf heeft gezegd: ‘Ik ga hier een hol gezicht in elkaar vouwen’, en er dan volgens een ingeslepen menselijk patroon een ruimtelijk kopje van heeft gevouwen. Wat daarna gebeurt is nog interessanter: het gemaakte model werkt niet! Geen enkele leerling, ook de leerkracht niet, kunnen er door te observeren achter komen wat er niet klopt aan hun bouwpakketje. Ze bleken allemaal niet in staat hun gemaakte model werkelijk te observeren. Is het wat je denkt dat het is? Zo niet, waarom niet? Heb ik gemaakt wat ik dacht dat ik maakte? Interessante vragen naar aanleiding van een interessante collectief gemaakte fout. De volgende stap is dan dat er ook collectief van geleerd kan worden. En dat was leuk!

Na het observeren en analyseren gingen de leerlingen vol goede moed hun model verbeteren. Ze merkten dat het niet meeviel en ze probeerden uit met hun mobiel of de filmpjes nu wel het gewenste effect lieten zien. Ook door die filmpjes weer te observeren kunnen bepaalde conclusies worden getrokken. Welke conclusies zou u trekken?

Ik zou zeggen dat het standpunt van waaruit je kijkt belangrijk is. Dat blijkt uit het bovenste filmpje. Zodra de ogen achter het holle gezicht kijken en er achter komen wat de constructie is, begrijpt ons brein de werkelijkheid en kijkt het hondje niet meer mee. Daarnaast blijkt uit het onderste filmpje dat een nette manier van vouwen en plakken het effect van de optische illusie vergroot. Het laatste hondje dat wel dapper probeert te kijken heeft toch een beetje een door de mangel gehaalde blik.

Dit zijn voor de hand liggende conclusies die de leerlingen zelf kunnen trekken. Technieklessen en de verwondering die ze opwekken zijn bij uitstek geschikt om te leren observeren. Het is een belangrijke vaardigheid waar we de ruimte voor moeten nemen in onze lessen. Observeren is niet hetzelfde als kijken. Je probeert als je observeert ook te begrijpen wat je ziet, toetst aannames en maakt analyses. Observeren is ook een denkproces. Het mooie is dat leerlingen van alle leeftijden het kunnen en dat er maar een kleine stap voor nodig is om je lessen ermee te verrijken.

Zo denkt ik als leerkracht altijd na over twee zaken:
1. Wat leren de leerlingen?
2. Wat leer ikzelf?

Wat ik ervan heb geleerd is hoe wezensvreemd een hol gezicht is voor ons mensen (en waarschijnlijk ook voor dieren). En bovendien dat zaken die ik heb uitgewerkt als lesmateriaal voor mij heel vanzelfsprekend zijn, maar dat dit blijkbaar niet automatisch voor de leerkracht geldt die deze lessen uitprobeert.

Ik ben eigenlijk wel benieuwd naar de ervaringen van collega’s die de lessen in de zwarte kolom links van dit blog uitproberen in hun klas. Volgens de WordPress-statistieken zijn dit er best veel. Gemiddeld trekt deze site ruim 150 bezoekers per dag. Veel aandacht gaat daarbij uit naar de lessen. Laat u eens weten of het liep zoals u wenste. Tegen welke problemen liep u aan? Wat was onverwacht? Ontstonden er naar aanleiding van mijn woorden en beelden misverstanden of verkeerde aannames? Ik ben benieuwd welke…

Alle reacties zijn welkom…
Wordt dus vervolgd,
Juf Annemarie

MAKEN in de klas als ‘Begrijpend doen’…

MAKEN en DOEN is leuk. Leerlingen krijgen er een sprankeling van in hun ogen. In een goede MAAK-les kunnen ze opgaan in hun werk. Dat betekent niet dat we alleen met onze handen werken en onze hersens in de kast laten. Juist in een goede MAAK-les doen leerlingen een hoop kennis en vaardigheden op. Tijdens het MAKEN en onderzoeken leren ze tevens verbanden leggen. Ik zie steeds meer paralellen met Begrijpend Lezen. Goed MAAK-onderwijs is ook rijk aan taal en leert leerlingen spelenderwijs redeneren, analyseren en verbanden zien als oorzaak/gevolg, tegenstellingen, analogieën, etc. Steeds meer zie ik MAKEN in de klas als BEGRIJPEND DOEN.

Hoe pak je dat aan?
Deze blogpost biedt geen sluitende methode of af verhaal. Ik wil het hier hebben over mijn eigen zoektocht die momenteel terug gaat naar de basis. Omdat ik dit schooljaar technieklessen geef aan alleen de onderbouw heb ik mezelf tot taak gesteld die basis nog eens goed onder de loep te nemen. Want kleuters zijn een geheimzinnig volkje en ik vind als rechtgeaarde bovenbouw-leerkracht deze doelgroep maar wat lastig. Vanaf groep 5 kunnen leerlingen al goed uit de weg met taal. Debatteren en filosoferen is mooi in te bouwen in de MAAK-lessen. Leren van ‘fouten’ en oplossen van problemen kunnen deze leerlingen al goed onder woorden brengen. En taal is altijd het vehikel waarmee zaken uitgewisseld en begrepen worden. Maar als er nog weinig taal is, hoe begin je dan?

Voorspellen
Als je wilt kunnen voorspellen moet je al bekend zijn met onderwerp. Je moet erover kunnen nadenken wat er gaat gebeuren als… . Dus moet je er eerst voor zorgen dat de kernbegrippen van je les helder zijn. Dat kan heel kort. Bij bijvoorbeeld een lesje over ‘drijven en zinken’ vraag je eerst aan de klas: Wat zie je als iets drijft? Wat gebeurt er als iets zinkt? Wat gebeurt er als iets zweeft in het water? Kun je een voorbeeld geven? Je krijgt zo een beeld van de beginsituatie van de klas en kunt direct iets toelichten als dat nodig is. De begrippen drijven, zweven en zinken worden aangeleerd. Maar dan komt het. Daarna mogen ze zelf aan de slag…

Als je nu de leerlingen zelf laat experimenteren met een bak water en een aantal spulletjes zijn ze gauw klaar. Alles wordt dan in de waterbak gekieperd en er volgt best een hoop plezier, maar je wil de leerling ook aanzetten tot nadenken en redeneren. Voorspellen en registreren is daarbij een mooi hulpmiddel. Kleuters kunnen meestal nog niet schrijven maar ze kunnen wel voorwerpen neerleggen of omcirkelen en op die manier registreren. Daarom maakte ik het volgende blad (A3 formaat), waarop de kleuters hun voorspelling konden neerleggen (registreren).

Op deze manier gingen de leerlingen eerst aan de slag met voorspellen. Het is leuk om dat in groepjes te laten doen zodat ze er samen over kunnen praten.

Zo wordt het denkproces spannender, want de leerling vraagt zich af: ‘Is het waar wat ik nu denk?’ Daarnaast wordt het denkproces zichtbaar voor andere leerlingen en de begeleidende leerkracht of hulpouder. De leerlingen kunnen met elkaar over hun voorspellingen discussiëren en een leerkracht kan nu gericht vragen waarom een leerling een bepaalde voorspelling doet. Pas als ze hebben voorspeld mogen de voorwerpen één voor één de bak in. Dan volgt het observeren. Wat gebeurt er? Was mijn voorspelling juist? Observeren is niet hetzelfde als kijken. Het is kijken met een vraag in je hoofd. En als je kijkt met vragen in je hoofd kijk je gerichter en zie je meer.

Creatief voorspellen
Een werkblad om voorwerpen op te leggen is niet de enige mogelijkheid om leerlingen hun voorspellingen te laten registreren. Je kunt hier als leerkracht creatief mee omgaan. Bij een les over magnetisme gebruikte ik bij de kleuters gewoon twee gekleurde vellen. Op het rode vel werden voorwerpen die volgens hen niet magnetisch waren gelegd en op het groene vel plaatsten ze de voorwerpen waarvan ze dachten dat die wel magnetisch waren. Voor wat oudere leerlingen in groep 3 maakte ik een formulier waarbij ze hun voorspelling konden afvinken onder rood of groen (niet of wel magnetisch). Deze leerlingen vonden het leuk om achteraf te turven hoeveel voorspellingen ze juist hadden en hoeveel niet. Ze hadden het turven net bij rekenen gehad. Achteraf beredeneren waarom een leerling een voorspelling niet juist had en wat er is bijgeleerd, kan met deze methode heel goed.

Wat ingewikkelder zaken als een stroomkringen en geleiding kunnen ook aanleiding zijn om voorspellingen te doen. Welke voorspelling zou je kunnen doen bij de situatie hier linksonder? En wat moeten de leerlingen aan voorkennis hebben?

Ze moeten eerst weten dat een batterij stroom geeft en dat het lampje gaat branden als de stroomkring gesloten is. Daar gaat dus het plaatje hier rechtsboven aan vooraf. En de vragen: Wanneer brandt het lampje niet meer? Waar kan ik de kring onderbreken? Welke materialen geleiden stroom? Wat kan ik als materiaal gebruiken om de stroomkring te sluiten? En dan zou je bij de scharen eerst kunnen laten voorspellen of het lampje anders gaat branden (feller of zwakker). Je kunt ook laten voorspellen hoeveel scharen er tussen geplaatst kunnen worden waarbij het lampje nog licht blijft geven. Een andere voorspelling kan gaan over welke materialen in de stroomkring geplaatst kunnen worden en het lichtje kunnen laten branden, kortom, welke materialen geleiden en welke niet.

Begrijpend doen…
Bij MAKEN en begrijpend doen zijn kennis en vaardigheden dus onontbeerlijk en met elkaar verbonden. Zonder voorkennis kun je niet aan de slag. Bovenstaande voorbeelden laten zien dat je met een kleine verandering in je lessen de leerlingen veel meer kan laten nadenken. We hebben het hier gehad over het stellen van goede operationele vragen, observeren, registreren, indelen/classificeren, interpreteren, analyseren, verklaringen bedenken en voorspellen. Dat is bijna heel het rijtje onderzoeksvaardigheden dat ik in een vorig blog over vaardigheden beschreef en dat ten grondslag ligt aan leren onderzoeken.

Net als woordenschat

Net als bij het verwerven van woordenschat, verdiepen en verbreden deze vaardigheden zich en ben je er je hele leven mee bezig. Als handvat voor leerkrachten maakten Rita Baptiste en ik dit boekje: ‘Onderzoeken met een vraag in je hoofd‘, met veel praktische voorbeelden die je makkelijk in je klas kan doen. Leerlingen die er aanleg voor hebben kunnen in de bovenbouw ook zelf dit boekje doorwerken om hun vaardigheden zelfstandig te verdiepen en uit te breiden.

Wordt vervolgd,
Juf Annemarie

Curriculum.nu op Association for Science Education (ASE)…

Een delegatie van het ontwikkelteam ‘Mens en Natuur‘ mocht op het jaarlijks congres van de Association for Science Education (ASE) een presentatie verzorgen over hoe wij in Nederland bezig zijn met het vormgeven van een fundament voor een nieuw curriculum. De ASE is een professionele gemeenschap van leraren en onderwijsondersteuners, gevestigd in Groot Brittannië. Ze heeft tot doel onderwijs in wetenschap, techniek en beta vakken te ondersteunen, inspireren en stimuleren. Ook buiten de UK kunnen instituten, scholen en leraren lid worden. Hierdoor is een groot internationaal netwerk ontstaan. Een mooi platform dus om iets te vertellen over onze werkwijze, waarbij leerkrachten een vooraanstaande rol hebben (teachers in the lead), en om ideeën hierover uit te wisselen.

Ontwikkelproces
In een notendop schetste Jeroen Sijbers (SLO) voor de internationale toehoorders hoe ons Nederlands schoolsysteem in elkaar steekt. Daarna vertelde hij hoe 9 teams van leraren en schoolleiders aan de slag zijn met het leveren van een basis voor vernieuwing van het landelijk curriculum.
leergebieden

De ontwikkelteams doen dit niet alleen. Ook ontwikkelscholen hebben hierbij een belangrijke rol. Zij denken actief mee en leveren feedback op de tussenproducten. Belangrijk in het hele proces is, dat iedereen die zich betrokken voelt bij onderwijs kan meedenken en feedback kan geven. Vakverenigingen, stakeholders, scholen, besturen, ouders en niet te vergeten de leerlingen zelf, kunnen in diverse bijeenkomsten en online hun mening laten horen.schermafbeelding 2019-01-13 om 15.13.46
Het schema van het hele werkproces is hier te downloaden: curriculum_flyer-digitaal-1.

Waarom een nieuw Curriculum?
Jeroen Sijbers en Erik Woldhuis (SLO) lieten een aantal principes zien die in ieder curriculum aan de orde komen. Al deze principes gaan eigenlijk over balans.
schermafbeelding 2019-01-13 om 15.16.10

  • De balans tussen vakkennis en vaardigheden. Zie ook een andere blogpost van mij over dit onderwerp.
  • De balans tussen afzonderlijke vakken en samenhang. Die samenhang kan gezocht worden binnen het eigen vakgebied maar tevens met andere vakken. Momenteel wordt veel overload ervaren door het aanbod van allerlei losse vakken en activiteiten die allemaal hun eigen plek eisen. Zoeken naar samenhang zou mogelijk de ervaren overladenheid kunnen verminderen.
  • De balans tussen de werkwijze op je eigen school en de samenwerking met andere scholen. De (soms problematische) overgang van po naar vo is hier een voorbeeld waarbij verschillende werkwijzen beter zouden kunnen aansluiten.
  • De balans tussen autonomie van leraren en scholen, en een opgelegd curriculum.
  • De balans tussen je eigen ontwikkeling als leerling en wat de school van je verlangt. Zie ook de oratie van Prof. dr. Gert Biesta over dit onderwerp (download: Oratie Biesta)

Het is van groot belang een brede discussie te voeren over bovenstaande principes en de uitkomsten ervan te integreren in een toekomstgericht curriculum. Nieuw hierbij is dat leraren dit keer het gesprek mogen voeren.

De leden van het ontwikkelteam Mens en Natuur gingen tijdens de presentatie op de ASE met het publiek in gesprek. Zij vertelden kort over de ervaringen in hun eigen onderwijspraktijk en waren ook benieuwd naar meningen en ervaringen van de toehoorders. Marleen de Goeij (directeur basisschool) nam hierbij ‘de balans met persoonlijke ontwikkeling’ bij de kop, Monja Lize Antens (leraar natuur- en scheikunde) bekeek ‘de balans tussen kennis en vaardigheden‘ en ikzelf (Annemarie van Es, leraar techniek in het po) besprak ‘de balans in autonomie‘.

 

 

Wat kwam er uit die gesprekken?
We kwamen er achter dat er verschillende opvattingen bestaan over het begrip ‘curriculum’. Vergeleken met andere Europese landen bestaat in Nederland relatief veel vrijheid in het onderwijs. In bijvoorbeeld het Engelse curriculum is landelijk precies bepaald welke lessen, practica en toetsen een leerkracht van dag tot dag dient te geven. Kijkend naar het curriculaire spinnenweb (Van den Akker, 2006), dan zijn wij binnen Curriculum.nu ook voor de toekomst slechts aan het vormgeven binnen het gebied wat hier in de rechthoek valt. Op termijn zal uit deze visie ook toetsing voortvloeien, maar dit valt niet binnen onze huidige opdracht. Voor invulling van het overige gebied hebben besturen, scholen, teams en leerkrachten hun eigen vrijheid.
spinnenweb-lpko
Nederland bleek bovendien niet het enige land dat zich op dit moment verdiept in een nieuw curriculum. We deden contacten op uit België en Noorwegen die met curriculumvernieuwing bezig zijn en vernamen dat Wales er ook mee aan het werk is. Wat verder naar voren kwam was dat al dit balanceren ook niet typisch Nederlands is. Wat veel ter sprake kwam was de balans tussen kennis en vaardigheden. Ook hier vond men: ‘Knowledge-rich does not mean skill-poor, and vise versa.’

Uiteraard schiet dit blog tekort om alle ontwikkelingen en gesprekken hierover samen te vatten. Wie zich er meer in wil verdiepen kan veel vinden op de site van Curriculum.nu. Ook deze documenten bieden veel inzicht: ‘Curriculumspiegel 2017′ door SLO (download: curriculumspiegel-2017) en ‘Balancing Curriculum Freedom and Regulation in the Netherlands’ (Nieveen & Kuiper, 2012) (download: balans curriculum en uitvoering).

Na brengen ook halen…
Tot slot was er voor ons ook een hoop te leren op het uitgebreide congres over allerlei aspecten van het science curriculum. En daar bleef het niet bij. Over de meest uiteenlopende onderwerpen trof men op de mooie campus van de universiteit van Birmingham interessante lezingen en voorbeelden. Van praktijk tot beleid en van basisschool tot eind VWO. Zelf ben ik veel wijzer geworden over filosofie binnen science, gamification, vragen stellen, motivatie, forensisch onderzoek in de klas, formatief evalueren en zoveel meer…

 

Ik heb genoten en ga weer een hoop nieuwe inzichten de klas inbrengen.
Wordt dus vervolgd,
Juf Annemarie

 

Vaardigheden in MakerED: maar hoe dan?

In mijn vorige blogpost schreef ik over MAKEN. Over hoe leuk MAKEN is maar ook hoe belangrijk het MAAKonderwijs in de hele wereld aan het worden is. En terecht. Het mooie bij MAKEN is dat hoofd, hart en handen er gezamenlijk in optrekken. Iets wat de handen maken kan niet zonder kennis, denkstappen en reflectie van het hoofd, en wordt extra mooi als inspiratie en motivatie uit het hart hieraan ten grondslag liggen. Dat hoofd, hart en handen moeten samenwerken maakt het MAKEN bij uitstek geschikt om ermee in ons onderwijs te differentiëren en bij te dragen aan persoonsvorming. Het belang van persoonsvorming is niet te onderschatten als men zich staande wil houden in een maatschappij die in rap tempo verandert. Denkers als Gert Biesta (Oratie Biesta) en Yuval Noah Harari (Artikel Harari van Thijmen Sprakel Docent & Redacteur EduKitchen.nl) merkten al op dat persoonsvorming van onze leerlingen voor een gelukkig en succesvol leven in de toekomst een cruciale voorwaarde is. Persoonsvorming dient daarom een belangrijke positie in te nemen bij het opleiden van leerlingen. Het MAKEN kan hierin een rol spelen en binnen scholen een aanpak zijn, waarbinnen zowel traditionele als innovatieve technologie een plek heeft en zowel kennis, als vaardigheden en denkwijzen worden ingezet.

Kennis en vaardigheden
Om MAKEN geen incidentele activiteit te laten worden is het belangrijk dat leerkrachten en leerlingen zich ervan bewust zijn dat kennis over maken gelinkt is aan andere kennis en deel uitmaakt van concepten. Op dit moment buigen Rita Baptiste en ik ons over concepten die gezamenlijk de kerndoelen voor het MAKEN dekken in het primair onderwijs. Deze concepten geven we zo compact mogelijk vorm in een dubbelzijdig te printen A3 waarin het concept met duidelijke voorbeelden wordt toegelicht en geïllustreerd. De concepten ‘constructie’ (zie vorig blog hieronder), ‘licht’ en ‘elektriciteit’ (hieronder te downloaden) hebben we al op deze wijze vormgegeven.

spread_leerlandschap_licht

spread_leerlandschap_elektriciteit
Het is in het onderwijs de kunst om deze concepten in een context aan te bieden die betekenis heeft voor de leerling. Uiteraard bestaan hier ook allerlei dwarsverbanden met andere vakgebieden en rekenen en taal. Dit op betekenisvolle en inspirerende wijze de klas in te brengen vergt meesterschap van de leerkracht of de docent. Dit zoeken naar de juiste aanpak wordt mooi beschreven door W. Sonneveld in zijn blog over de ideale les.

Maar met kennis alleen zijn we er niet. Om die kennis in praktijk te brengen zijn talloze vaardigheden nodig. In diverse (online) media komt geregeld de discussie voorbij dat ofwel ‘vaardigheden in de scholen te weinig aan bod komen’ ofwel ‘kennis zou worden geofferd aan vage vaardigheden’. Wat mij is opgevallen in mijn eigen onderwijspraktijk, is dat het één eenvoudigweg niet los te zien is van het ander. Zonder vaardigheden kan kennis niet worden ingezet en andersom zijn vaardigheden zonder gebruik van kennis inhoudsloos.

Onderstaand model uit de W&T wijzer maakt inzichtelijk hoe vaardigheden, houding en kennis zich tot elkaar verhouden als we ons bezighouden met leren ontwerpen en leren onderzoeken, wat we kunnen beschouwen als de twee benen van het MAAKonderwijs.

Schermafbeelding 2018-12-05 om 11.35.22.png

Welke vaardigheden?
Maar over welke vaardigheden hebben we het eigenlijk? Er is de laatste jaren veel discussie gaande over vaardigheden waarbij het lijkt alsof alle vaardigheden van in één grote vergaarbak zijn beland. Het is goed om eens te kijken waar we het over hebben als we spreken over vaardigheden die ingezet worden bij MAAKonderwijs. Ik zou hierbij  onderscheid willen maken in praktische vaardigheden, ontwerpvaardigheden, onderzoeksvaardigheden en generieke vaardigheden.

Praktische vaardigheden
Allereerst hebben we te maken met praktische vaardigheden. Als kleuter begin je al met leren knippen, kleuren en knopen leggen. Om iets te kunnen MAKEN heb je die praktische vaardigheden nodig. Later komt daar steeds meer het gebruik van allerlei andere gereedschappen bij. Zagen, timmeren, lijmen, solderen… maar ook printen en programmeren… Hoe groter je arsenaal aan vaardigheden, hoe ruimer je mogelijkheden bij het MAKEN. Dat betekent oefenen, maar ook je bewust zijn van veiligheid en protocollen zoals het gedrag in een lab of technieklokaal, de omgang met gereedschappen en materiaal en de gedragsregels die daarbij horen.

Ontwerpen en onderzoeken
Binnen het onderwijs is men inmiddels wel bekend met onderstaande cirkels (ook uit de W&T wijzer) die betrekking hebben op het leren ontwerpen en het leren onderzoeken. Als je iets wil MAKEN ben je eigenlijk altijd bezig met een onderzoek of een ontwerp. De stappen die hierbij genomen worden, staan beschreven in de cirkels.
Schermafbeelding 2018-12-07 om 13.23.33.png
Wat echter niet heel duidelijk wordt beschreven is dat bij al deze stappen vaardigheden aan de orde zijn. Als we beginnen met een nieuw onderwerp in de klas (stap 1: confronteren) dan is verwondering niet zomaar vanzelfsprekend. Om verwondering op te wekken kan de leerkracht prikkelen met vragen die de leerling laat nadenken en gericht laat kijken.

Als we het bijvoorbeeld willen hebben over statische elektriciteit en we doen een proefje met een ballon die we over ons haar wrijven en vervolgens bij een waterstraal houden, dan kunnen we het kijken beïnvloeden en het denken erover stimuleren door het stellen van de juiste vragen. Vragen hierbij zouden kunnen zijn:

  • Wat zou er gebeuren als je de ballon niet over je haar zou hebben gewreven?
  • Hoe zou dit gaan met een kleinere ballon?
  • Wat zou er gebeuren als de waterstraal harder gaat lopen?
  • Wat gebeurt er als we de ballon verder van de waterstraal af houden?

Veel van deze vragen laten de leerlingen ook voorspellingen doen. Bij een voorspelling moet de leerling nadenken over wat hij al weet en wat hij waarneemt en op grond daarvan analyseren wat er zou kunnen gebeuren. In dit voorbeeld komen dus direct al twee vaardigheden voorbij: Het stellen van vragen en het voorspellen. Deze vaardigheden zijn manieren van denken die als tools worden ingezet om het leren onderzoeken vaardig te worden en de stappen in de cirkel te doorlopen.

Daarbij valt op dat net als bij woordenschat, deze vaardigheden zich kunnen verdiepen en verbreden naarmate de leerling ouder wordt. Het stellen van vragen kan zich ontwikkelen tot het kunnen opstellen van serieuze onderzoeksvragen en tot het inzicht dat kijken naar de wereld met een vraag in je hoofd je veel kennis en wijsheid kan brengen. Het voorspellen kan uitgroeien tot het uitwerken van een interessante hypothese op grond van uitgebreide kennis over een onderwerp.

Binnen onze werkgroep van De Haagse Scholen die zich met het HOE in de klas bezighoudt aangaande projecten en MAAKonderwijs hebben we m.b.t. het leren onderzoeken een aantal vaardigheden onderscheiden:

  • Het stellen van vragen
  • observeren
  • vergelijken (overeenkomst – verschil)
  • indelen/classificeren
  • registreren (aantekenen – optekenen)
  • interpreteren
  • analyseren
  • verklaringen bedenken
  • voorspellen
  • een experiment zuiver houden

Het wetenschapsknooppunt Zuid Holland heeft hierover ook nagedacht en komt eveneens tot een set van onderzoeksvaardigheden en ontwerpvaardigheden (zie hieronder).

Hieruit valt al af te leiden in hoeverre in onderwijsland gedachten over vaardigheden elkaar kunnen overlappen en/of aanvullen. Het is vooral van belang dat we onderkennen dat bij leren ontwerpen en leren onderzoeken een uitgebreide set vaardigheden aan de orde komen. Bij het vormgeven van MAAKonderwijs binnen de scholen is het van belang dat teams en werkgroepen die zich hiermee bezighouden zich bewust worden van die vaardigheden en dat ook de leerkrachten ze meenemen in hun rugzak. Leerkrachten moeten in staat zijn omstandigheden te herkennen waarin de leerling bepaalde vaardigheden in kan zetten en ze moeten de leerling kunnen begeleiden bij het ontwikkelen ervan. Want als de leerkracht zich er niet van bewust is, hoe moet de leerling dit bewustzijn dan ontwikkelen?

Generieke vaardigheden
Datzelfde geldt voor generieke vaardigheden die door anderen ook wel 21ste eeuwse vaardigheden worden genoemd. En ook daaronder verstaat niet iedereen hetzelfde…

rainbow_final_outlines

Onze school, OBS De Startbaan, heeft in het verleden meegedaan aan een internationaal project onder de vleugels van Michael Fullan die werkte met de 6C’s. Een voorbeeld van hoe wij die 6 C’s hebben aangepakt in onze lessen en projecten is te lezen in ons project over Anne Frank.

Tenslotte
Concluderend kunnen we stellen dat vaardigheden, kennis en denkwijzen samenhangen en geïntegreerd aangeboden zouden moeten worden in ons onderwijs. Dat is nog niet eenvoudig want er is geen staalkaart voor te geven die een sluitende aanpak garandeert. Leerkrachten, teams en scholen zullen zich moeten buigen over welke vaardigheden ze aandacht willen schenken en zullen zich bewust moeten worden van wat ze al dagelijks hieraan doen in de klassen. Net als kennis zitten er binnen vaardigheden ook leerlijnen die zich laten uitdiepen tot ver in de volwassenheid. Met vaardigheden zijn we eigenlijk nooit klaar. In een volgend blog wil ik daar iets over schrijven want de kunst is voor de leerkracht om juist complexe vaardigheden ook te kunnen inzetten in een kleuterklas, uiteraard op hun eigen niveau.

Wordt dus vervolgd,
Juf Annemarie

MAKEN in het PO: Maar hoe dan?

MAKEN maakt je blij. Voor sommige mensen, waaronder ikzelf, is maken een noodzaak en kun je de moeilijke kanten van het leven het hoofd bieden, door geregeld dingen met je handen te maken. Dat betekent zeker niet dat je je hoofd er niet bij nodig hebt. Dat je  hoofd en handen beide nodig hebt maakt het juist zo spannend! Maken is inmiddels ook hot. Internationaal zie je prachtige inspirerende dingen gebeuren, er ontstaan online makerspaces en ook in ons eigen land ontwikkelen zich de laatste jaren talloze initiatieven. Zo was er onlangs in Eindhoven weer een Maker Faire. Hier werden veel van die ontwikkelingen gepresenteerd.

Het zal niemand verbazen dat ook het onderwijs in Nederland zich steeds meer bezig gaat houden met MAKEN. Hartstikke nodig! Op de Maker Faire Eindhoven zette Paulo Blikstein van Stanford University het voor ons nog eens op een rijtje:

  • Maakonderwijs schept voor leerlingen de mogelijkheid om op verschillende manieren te leren.
  • Hierdoor stimuleert het gelijkere kansen voor leerlingen die moeilijker uit de boekjes leren of gewoon anders leren.
  • Onderwerpen ontdekken via maken en doen vergroot het leerrendement.
  • Een goede afwisseling tussen denken en doen, blijkt uit onderzoek de beste voorspeller voor leren.

img_2226.jpg
Reden genoeg om in het onderwijs ruimte te geven voor MAKEN. Maar dat het leuk, inspirerend en nodig is, wil nog niet zeggen dat het ook makkelijk is. Het antwoord op de vraag: ‘Maar hoe dan?’, is complex en wordt daarom ook zo vaak door leerkrachten geuit. Voor stichting ‘De Haagse Scholen’ die het primair openbaar onderwijs in
Den Haag verzorgt, mag ik mij samen met Rita Baptiste buigen over dit ‘Hoe dan?’ en is er ook een professionele leergemeenschap opgericht die meedenkt (zie afbeelding hieronder).
IMG_0057Astrid Poot
Wij zijn niet de enige die ons hiermee bezighouden. De titel van dit blog heb ik bijna letterlijk overgenomen van mede-MAKER Astrid Poot, die in haar blog van 12 oktober zich dezelfde vraag stelt. Daarin somt ze ook precies de problemen op waar we mee te maken hebben: ‘Dat maaklessen losse incidenten blijven, dat het gastles-schap de makkelijke oplossing zal zijn, dat het niet speels zal zijn. Dat er geen goede context voor het maken is: dat het alleen techniek is, of alleen beeldend, of alleen W&T.

In haar eigen herkenbare frisse tekenstijl maakte Astrid een strip over hoe zij aankijkt tegen Makeronderwijs met daarin het model van Patrick Benfields als uitgangspunt voor een HOE in het po.

Schermafbeelding 2018-10-29 om 16.23.22In dit HOE schetst Astrid een opzet voor het gebruik van een leerlijn voor gereedschap. Zij beschrijft hiervoor een mogelijke opbouw voor het po en een aanpak via drie stappen: Ontdekken, vaardigheden opdoen en toepassen…

alles-in-een-cirkel01opbouw
Bij het ontdekken en het opdoen van vaardigheden hoeft nog geen ‘af’ product vervaardigd te worden. Astrid schetst een voorbeeldles waarbij de werking van de zaag wordt ervaren door er zelf één van karton te maken en uit te proberen hoe hij werkt als je door een blok oase zaagt. Ik zie hierbij grappige parallellen met mijn eigen lessen over het zelf maken van kwasten. Dit was een onderzoek naar tekengereedschap en welk materiaal welke lijnen maakt. Hierbij ging het ook eerst om het onderzoek naar de lijnen op zich en pas later om wat je ermee zou willen maken…

Als we spreken over gereedschap is kennis over het gebruik ervan belangrijk en ook leuk om leerlingen bij te brengen. Astrid tipt hierbij de geschiedenis aan. Verbanden met
Schermafbeelding 2018-10-29 om 20.53.37andere kennisgebieden als techniek, natuurkunde of biologie zijn er ook. Veel gereedschappen werken immers als een verlengstuk van ons lichaam en als we denken aan de hefboomwerking van de hamer snappen we ook ineens beter hoe we hem vast moeten houden. Zelfs kleuters kun je daar leuke lessen over geven. Verbanden zijn dus belangrijk. MAAK-onderwijs moet daarom ook kennis bieden binnen context en concepten, anders worden de maaklessen zoals Astrid al beschreef, losse incidenten. Rita Baptiste en ik trachten voor de leerkracht ideeën over context behapbaar en inspirerend vorm te geven. Bovenstaande les over het zelf maken en uitproberen van kwasten kun je zien binnen een bredere context van schrijven, tekenen en schilderen.
(download hier: 2spread_aanzet leerlandschap_schrijven)
2spread_aanzet leerlandschap_schrijven22spread_aanzet leerlandschap_schrijven3
En uiteraard zie je binnen zo’n thema weer verbanden met allerlei andere vakken, denkwijzen en vaardigheden…
IMG_0058
Zoals Astrid een kader schetst waarbinnen gewerkt kan worden met gereedschappen en daarvan voorbeeldlessen laat zien en een opbouw binnen de school, zo maken Rita en ik thema’s en concepten zichtbaar met betrekking tot de kennis die nodig is om te MAKEN. (vaardigheden en denkwijzen zijn minstens zo belangrijk, maar die bewaar ik voor een volgende blogpost). Hieronder een voorbeeld van concept. Het concept constructie. (download hier: spread_leerlandschap_constructie)
constructie
constructie2
Constructies gaan in beginsel eigenlijk altijd over het aan elkaar maken van twee of meer losse elementen. Zo’n verbinding kan permanent zijn (bijvoorbeeld met lijm), los-vast (bijvoorbeeld schoenveters), of bewegelijk (bijvoorbeeld tandwielen). Of zo’n verbinding stevig is en hoe je dat gaat oplossen heeft alles te maken met MAKEN. En of je materiaal sterk is en hoe je materiaal sterk kan maken (bijvoorbeeld d.m.v profielen), hoort ook bij de kennis van een MAKER. Alles wat met MAKEN te maken heeft maakt gebruik van constructie. Zonder kennis van dit concept dondert je ontwerp in elkaar. Wij proberen daarom die kennis zo helder mogelijk over het voetlicht te brengen. Op dezelfde wijze willen wij andere thema’s uit natuur en techniek voor het po in beeld brengen zoals o.a. elektriciteit en mechanica.

Per Ivar Kloen: Recept, Kader of vrijheid
In een prachtig blog over maken beschrijft Per Ivar Kloen dat binnen een schoolcurriculum sprake is van diverse benaderingen van maakonderwijs:

  • een vrije situatie waarbinnen de leerling geheel zelf besluit wat hij gaat maken,
  • een kader waar binnen gestelde grenzen van een opdracht, probleemstelling, onderzoek of materiaal de leerling aan de slag gaat,
  • en een recept waarbij een voorgeschreven stappenplan voor het maken wordt gehanteerd.

Astrid maakt van deze inzichten gebruik voor het uitdenken van een schoolsysteem waarbij leerlingen via kleine projecten toewerken naar een grote (vrije) totaalopdracht.
heleschool

Bij ons op OBS De Startbaan valt het ervaring opdoen en het oefenen m.b.t. MAKEN binnen overkoepelende thema’s en projecten. Binnen ieder project wordt zoveel mogelijk toegewerkt naar steeds meer eigenaarschap van de leerling. Het afsluiten met een grote vrije Meesterproef doen wij niet maar is een interessante gedachte. Het is belangrijk om als school na te denken over hoe men het maakonderwijs wil inrichten en die gedachten gezamenlijk steeds bij te slijpen. Een bouwhuis als bovenstaand schema dat past bij het team en de school, waarbinnen de school zijn eigen werkwijze bouwt en borgt is van groot belang.

Aan de andere kant blijft het beoordelingsvermogen van de leerkracht tevens een factor van betekenis. De leerkracht moet immers in staat zijn de onderwijsbehoefte van de leerling goed in te schatten. Dat is afhankelijk van de persoonlijkheid van de leerling en van het moment. Binnen een grote vrije opdracht zou een leerling heel goed behoefte kunnen hebben aan een recept omdat hij zich nieuwe kennis moet eigen maken. Het kan evengoed zijn dat een groep 5 na een aantal gekaderde opdrachten en recepten even helemaal in vrijheid los wil/kan gaan, terwijl er leerlingen uit groep 8 zijn die dit (nog) niet aankunnen.

Als Maakonderwijs wil slagen moet het op diverse niveaus ondersteund worden: In de klas, schoolbreed en op bestuursniveau. Mijn ervaring is dat leerkrachten in het po veel op hun bordje hebben. En dat wordt niet minder met het huidige lerarentekort. Bovendien is MAAK-onderwijs niet iets wat je er zomaar ‘bij doet’. Het vereist veel lesvoorbereiding en kennis. Sommige scholen kiezen er daarom voor om een vakleerkracht in te zetten. Daarbij zijn overlegmomenten cruciaal, zodat men van elkaar weet wat het lesaanbod is en verbanden gelegd kunnen worden tussen MAKEN en andere vakken en projecten die lopen in de school. Maar ook buiten de school moeten we ontwikkelingen volgen en van elkaar blijven leren. ‘Een leven lang leren’ geldt dus net zo goed voor de leerkrachten als voor de leerlingen. Je kunt het niet alleen, vandaar dat ik in dit blog weer reageer op gedachten van Astrid en Per-Ivar, waar ik veel inspiratie uithaalde…

Over MAKEN is nog een hoop meer te zeggen en te schrijven. Dit is eigenlijk pas een schuchter begin dat verre van volledig is. Maar een blog kan niet eindeloos doorgaan dus voorlopig stop ik hier. Ik wil deze post afsluiten waar ik mee begon, met een beeld van de presentatie van Paulo Blikstein over MAKEN: Een kans die we moeten grijpen…
Dus ja, wordt vervolgd,
Juf Annemarie
img_2228.jpg

De schoonheid van de lijn als onderdeel van een leerlandschap…

Hoe eindeloos mooi een lijn kan zijn weten kunstenaars heel goed…
3bbcb3a28f58596ea34f47b062822b2dDaarom kiezen zij heel bewust hun kwasten en penselen. Om leerlingen onderzoek te laten doen naar lijnen en penselen mochten ze hun eigen penseel maken. Vorige week was groep 4 hier als eerste mee bezig. Werk uit die groep liet ik weer zien aan de groep van vandaag die uit kleuters bestond. ‘Aaaahhh…’ riepen ze allemaal bij het zien van deze prinses…
c512a1ce59de2eff3575a7178f9449e5-e1538493039119.jpg

Ze mochten analyseren met welke zelfgemaakte penselen de haren, de rok en de gordijnen waren geschilderd…
IMG_2153

En daarna mochten ze snel zelf aan de slag.
IMG_2319.JPG Eerst op zoek naar materialen om mee te schilderen, die doen we in een knijper en dan maar proberen. Kleuters zijn voor mij als bovenbouwleerkracht een geheimzinnig volkje. Ik vind het altijd moeilijk te voorspellen hoe ze iets zullen oppakken. Maar kleuters vinden experimenteren met lijnen helemaal niet gek. Ook kleuters waarderen de schoonheid van de lijn. Het lijnen trekken vonden ze leuk. Voor hen hoefde het niet direct iets ‘voor te stellen’. Kleuters zijn heel verfrissende wezens! Er kwamen een hoop mooie lijnen uit…

 

In sommige lijntekeningen kwam er een geschilderd figuurtje bij, waardoor de lijnen een bos werden of een zebrapad…

 

En daarna mochten ze helemaal los met hun fantasie en overdachten de leerlingen wat ze met die lijnen nog meer zouden kunnen maken…

 

Van linksboven naar rechtsonder: Een boom met een huis, een geest, een unicorn (van boven gezien met krullend haar), dames met haren in de wind en een vulkaanuitbarsting… Wauw wat hebben kleuters een fantasie! Zij weten ook best raad met de schoonheid van de lijn.

Deze opdracht kan onderdeel zijn van een breder thema over schilderen, tekenen en schrijven. Activiteiten waar leerlingen dagelijks mee bezig zijn maar waar je binnen zo’n thema anders naar kan kijken. Rita Baptiste maakte er een leerlandschap van dat ik heb gefotografeerd en vormgegeven in een folder…
2spread_aanzet leerlandschap_schrijven3

2spread_aanzet leerlandschap_schrijven2

Hoe werkt een balpen? Waarom is de samenstelling van de inkt in een balpen zo belangrijk? Wat heeft capillaire werking te maken met kroontjespennen? Hoe maak ik een tekenmachine? En nog veeeel meer vragen en inspiratie…

 

De folder van het leerlandschap is hier als PDF te downloaden en te printen als tweezijdig A3 of A4. Door iedereen ter inspiratie te gebruiken voor o.a. projecten in het onderwijs. (Bij verdere verspreiding of lezingen vinden wij het wel fijn als je onze namen vermeldt: Rita Baptiste en Annemarie van Es)
2spread_aanzet leerlandschap_schrijven

Veel teken-, schrijf- en schilderplezier,
en natuurlijk wordt dit vervolgd,
Juf Annemarie

 

Techniek op school: Een onderzoekje naar tekengereedschap…

Tekenen, schilderen, schrijven: ieder kind doet dat op zijn eigen manier. Pennen, potloden, stiften, penselen, de iPad… Vaak beginnen leerlingen al heel jong met tekenen. Soms al zodra ze iets vast kunnen houden, maken ze hun eerste krabbels. Zonder dat ze erover nadenken gebruiken ze dus vanaf hun vroegste kindertijd al gereedschap: tekengereedschap. Vanmiddag was weer de eerste techniekles en stonden we eens stil bij dit teken-, schilder- en schrijfgereedschap. Welk soort gereedschap kies je? En waarom? Waarom maken mensen gereedschappen?

De eerste mensen op deze aarde gebruikten in hun grotschilderingen hun handen en vingers als gereedschap. Waarom doen wij dat niet? We probeerden het eens uit en gingen twee soorten lijnen vergelijken. Hierbij gebruikten we een vinger en een penseel. De leerlingen mochten voorspellen welke lijn langer zou worden na 1 keer dopen in de verfpot…

Alle leerlingen hadden al wel voorspeld dat het penseel een langere lijn zou kunnen maken. Maar dat die lijn zoveeeeel langer zou zijn vonden ze leuk om te zien.

De lengte van de lijn vinden de leerlingen een belangrijke reden om een penseel te gebruiken. We hebben het dan nog niet gehad over het soort lijn. Wat voor soorten lijnen hebben we? Natuurlijk heb je dikke en dunne lijnen, maar je hebt ook lijnen met een heel eigen karakter. En dan spreek je over ontelbare mogelijkheden…
IMG_2158
Bovenstaande lijnen zijn gemaakt met een zelfgemaakt tekengereedschap…
IMG_2160 Je ziet het goed: Een knijper met een watje…
Dus dit gereedschap is nog multifunctioneel ook. Zonder vieze vingers te maken kunnen we allerlei materialen uitproberen…

Daar gingen de leerlingen uit groep 4 mee aan de slag. Sponsjes, restjes wol en stof, watjes, veertjes… Alles kan met behulp van een knijper een kwast worden…

Welke lijnen levert dat op?

Er werd geoefend met verschillende kwasten en ontdekt welke lijnen er met allerlei materiaal getrokken konden worden…

Sommige lijnen deden ons denken aan water, vuur of de haren van Rapunzel. Dat wilden we uitproberen in onze tekeningen…

Expressieve prinsessen schudden hun haren…
IMG_2149 IMG_2157
Hongerige wolven komen uit het woud tevoorschijn…
IMG_2150 Er groeit een heel bos met mooi gepenseelde boomstammetjes…
img_2153.jpg
En een prachtige dame met een mooie jurk en lange haren doet haar gordijnen open. Voor het gezichtje koos de maakster wel voor een bestaand fijn penseel. Voor de foto hebben we de kwasten waarmee de diverse onderdelen zijn geschilderd naast de tekening gelegd. Ook de ‘gewone’ kwasten en penselen kwamen in deze fase van de les weer de klas in maar werden nu bewuster gekozen…
IMG_2161
De onderste kwast op de foto hierboven maakte ik van de rietpluimen die nu zo mooi rond de school staan…
IMG_2095
Ook onze binnentuin gaf inspiratie…

Materiaal uit de natuur is er in de herfst in overvloed. Misschien een leuke opdracht voor als de klassen herfstwandelingen gaan maken. Materiaal voor eigen kwasten en penselen is dus overal te vinden.
Wat vinden de leerlingen er zelf van? Wat hebben zij deze middag geleerd?

Voor wie nog meer inspiratie zoekt over lijnen, sporen en tekengereedschappen, kan ook een kijkje nemen op mijn Pinterestbord:


Rond het thema schrijven, tekenen en schilderen zijn uiteraard nog een schat meer aan lesideeën aan te dragen. Ik zal daarover meer schrijven in mijn volgende blog.

Wordt vervolgd,
Juf Annemarie