De magie van kunst in de school…

Deze week kwam De Dutch Don’t Dance Division bij ons op school met de voorstelling #Pest. Nou heb ik vraagtekens bij het onderwerp. Niet omdat ik het niet belangrijk vind. Ik ben ervaringsdeskundige. Het gevoel dat je nooit ergens bij zult horen blijft in je vezels zitten. Ik ben er alert op in mijn klas. Ook herken ik het gepeste kind als geen ander in prachtige moeders en stoere vaders met tattoos op hun armen. Maar moet je het er steeds over hebben? Het doet me een beetje denken aan het onderwerp ‘zelfmoord’. Daar hebben we het ook niet te veel over omdat anders de volgende dag zich nog meer mensen voor de trein gooien. Vermindert expliciete aandacht voor een onderwerp het probleem? Die vraag is complex. Pesten is complex. Ik ben er nog niet uit of al die aandacht de situatie verbetert.

Maar goed. Ik moest voor de school de voorstellingen boeken. Dat was een heel gepuzzel. We wilden reiskosten uitsparen. De voorstellingen moesten dus in de school plaatsvinden. Dat schrapte al flink wat opties. Dan gaan ze niet optreden voor twintig leerlingen. Nog meer puzzelen. Welke klassen kon ik combineren met welke voorstellingen. Er bleven er een paar over. Ik hou van dans. Vooruit dan maar met dat onderwerp over pesten…

Voor het zover is
En dan komen de vragenlijsjes: Kunnen jullie dit even invullen? Welke ruimte hebben jullie en welke muziekinstallatie? En kan er een laptop aan? Hebben jullie iemand voor het licht? Kan er na die tijd voor de workshops een lokaal leeg? Jajaja… en of we ook even telefonisch contact kunnen hebben. Kan ook, tuurlijk, ik heb als leerkracht toch niets te doen…

Ze kwamen vroeg in de ochtend voor de lessen en in de verschrikkelijkste hoosbui van deze herfst tot nu toe.
‘Moeten jullie veel uitladen?’
‘Ja.’ Glimlach. ‘Heel veel.’
Zonder morren sjouwden ze hun toneelspullen door de regen de school in.
‘Waar is de koffie?’ Ik wijs het ze. ‘Top!’
‘We gaan opbouwen. Om tien uur kunnen jullie komen met je klas.’

En dan begint het…
Het publiek bestaat uit groep 7 van mij en groep 8 van mijn collega. Ik moet ze goed in de gaten houden want mijn leerlingen kletsen altijd onophoudelijk. Ze kregen van mij instructies mee over het gedrag dat ik van ze verwacht. Dat is nodig want ik heb al diverse keren ervaren hoe deze groep een gastdocent kan opvreten. Ik hoop dat deze voorstelling goed gaat verlopen.

De muziek begint. Een danser in traditioneel kostuum en maillots laat klassieke passen zien. Sprongen en pirouettes. Prachtig. Het maakt indruk op de leerlingen al is het vreemd, zo’n jongen in een maillot. Dat blijkt ook de bedoeling. Vanachter de schermen komen stoere jongens en meisjes op in straatkleding. Ping – Pong, klink de muziek en bij elke klank raken ze hem aan, lachen ze hem uit en vernederen ze hem meer. Het is een sterk beeld. De balletjongen verkruimelt. Tot hij wijst op een kind in het midden van de voorste rij. Dat leidt de aandacht af. De pesters kijken nu naar haar… Gepeste is pester geworden.

IJzersterke beelden vullen daarna het toneel. Niets wordt uit de weg gegaan. En niets is wat het lijkt. Een straatjongen verruilt zijn gympen voor rode plateau-hakken. Een meisje laat haar haren zwieren. Uitdagend en agressief. ‘Ik kan dit doen. Jij niet…’ Lijkt ze te willen zeggen tegen een meisje met een hoofddoek. Maar later volgt verzoening, vriendschap en meer…

Emotie
De combinatie van dans en muziek opent herinneringen en emoties. Ik ben geraakt en krijg een brok in mijn keel. Ik slik hem weg. Tranen in het bijzijn van je klas is geen goed idee. Later hoor ik tijdens de lunch in de lerarenkamer dat mijn collega net zo geraakt was als ik. Zij vertelt dat ze wel heeft gehuild en een aantal leerlingen van haar ook.

Aan het eind van de voorstelling mogen de leerlingen vragen stellen aan de dansers. Ook dat is indrukwekkend. Jonge mensen van 20 – 21 jaar staan voor ons. Trots en kaarsrecht, zoals dansers van nature staan. Ze komen van over de hele wereld om hier te dansen. De meesten stellen zich voor in het Engels, er wordt vertaald, een paar van onze leerlingen halen hun beste Engels uit de kast, een Franse danser antwoordt in zangerig Nederlands. Daarna volgen er workshops waarin de leerlingen zelf al bewegend zaken als ‘vertrouwen’ kunnen ervaren. De dansers gaan aan de slag met mijn groep en dat is een krachtsinspanning want de aandachtspanne van de leerlingen is kort. Maar ze doen het gewoon en wat ze doen komt binnen.

Na de voorstelling
Later komen kinderen naar mij toe. Ze zitten vol van wat ze hebben gezien. Een meisje zegt: ‘Ik mag van mijn moeder niet lesbisch zijn maar ik kan me wel voorstellen dat iemand anders het wel is.’ Het zet ze aan het denken. Het zet mij aan het denken. Er is een wind de school binnengewaaid. Een wind die meer lef met zich meebracht dan welk pestprogramma of pestprotocol dan ook. Zaken die je normaal niet gauw bespreekt zijn gezien en gevoeld. Op deze manier is het inderdaad geen slecht idee om pesten aan de orde te stellen. Het is wat kunst kan doen. Het gaat over je plaatsbepaling, je identiteit. Niet alleen in lesjes en woorden, maar ook tussen de woorden, achter de woorden… Dat, diep in jezelf wat niet te vangen is in woorden, aanraken. Daar komen we niet vaak in ons onderwijs. Wat mij betreft veel te weinig…

Dankjewel Dutch Don’t Dance Division. Jullie mogen vaker komen!

Wordt vervolgd,
Juf Annemarie

 

Het heen en weer van het onderwijs…

Na de soapserie over staken – oh nee toch maar niet, leerkrachten boos, dan toch maar wel – liep een collega van mij hoofdschuddend door de gangen. ‘Het is precies hoe het altijd gaat in het onderwijs,’ zei ze. ‘Altijd heen en weer en je krijgt er ook het heen en weer van.’ We lachten erom, want wat kan je anders.

Massaal is er gestaakt. En dat gaat niet alleen over salaris. De reactie van mijn collega geeft  precies aan hoe het al tijden gaat. Ik ben zelf in 2002 begonnen als zij-instromer in het basisonderwijs en heb het sindsdien ieder jaar zien verslechteren. Het onderwijs is een complexe dans met spagaten die leerkrachten opbreken. Je hebt die passie voor lesgeven, maar niet meer de tijd en de ruimte om het goed te doen. Je schiet eigenlijk voortdurend tekort ondanks al je inspanningen.

Leraren hebben in Nederland het meeste last van werkgerelateerde burn-out klachten: 21,3 procent (CBS/TNO, 2014). Het gemiddelde van alle sectoren in Nederland ligt op 14,4 procent. De oorzaak zit in een hoop onverenigbare tegenstellingen.

Ik kreeg er zin in er eens een aantal op een rijtje te zetten:

Meer geld, oh nee toch niet…

In de media lijkt het altijd alsof we er steeds meer geld bij krijgen. Maar als diezelfde beloftes worden verbroken hoort niemand ervan. Dat begon al toen het tweede Paarse kabinet miljarden voor onderwijs toezegde, wat in 2002 onder Balkenende toch niet mogelijk bleek. Minister Maria Van der Hoeven bezuinigde liefst 650 miljoen euro op de arbeidsvoorwaarden van leraren. Eindelijk zou er onder Ronald Plasterk iets veranderen en zegde hij in 2008 een miljard toe voor het lerarentekort. Maar de economische crisis brak uit en het geld kwam niet. In 2010 voerde het kabinet de ‘nullijn’ in, waardoor salarissen van leerkrachten nog verder gingen achterlopen bij gelijk geschoolden in andere beroepen.

We willen leraren beter opleiden, maar we kunnen er niets mee…

Rinnooy Kan schreef in 2007 al: ‘De tijd dringt’. Niet alleen moesten leraren beter betaald worden, ook de kwaliteit van de leraar mocht omhoog. De academische PABO kwam. Op de werkvloer is scholing niet het probleem. We hebben reken- en taalspecialisten, gedragsspecialisten, academisch geschoolde leerkrachten, onderwijskundigen… Alleen mogen ze bijna nooit doen waar ze goed in zijn. Na hun opleiding is er geen tijd voor hun talenten. Dat wat hen energie geeft moet snel weer in de kast want er moeten uren gedraaid worden. Er is geen tijd om na te denken over wat je eigenlijk aan het doen bent, als je het maar doet. En als jij het niet doet mag de onderwijsassistent het doen, de stagiair of zelfs de ouder. Het maakt op dit moment niet uit welk wezen op twee benen er momenteel voor de klas staat, als er maar iemand staat. Onderwijs wordt ophokken.

Niet faciliteren, wel afrekenen…

Schooldirecteur Eric van ‘t Zelfde verwoordde het mooi in een interview bij Pow op 6 november: ‘Het onderwijs is een vuilnisbak geworden’. Hij heeft gelijk. We zitten in te krappe lokalen zonder airco. In de zomer staat de leraar met klotsende oksels in de puberdampen.
Het schoolbord is vervangen door een smartboard. Alles is afhankelijk van ICT, die goed moet worden onderhouden. Ieder middelgroot bedrijf – wat een school ook is – heeft een ICT-medewerker in huis. Maar in het basisonderwijs is dat meestal een extra taak voor een leerkracht.
We willen leuke projecten. Tijd voor voorbereiding is er niet. Geld voor materialen evenmin. Dat wordt weer in de weekenden boodschappen doen bij de Action. Niet faciliteren dus. Niet in uren en niet in materiaal en behuizing. Wel afrekenen. Vooral in Citotoetsen. En als de inspectie de scholen niet afrekent doen ze het zelf wel. Scholen en besturen zijn elkaars concurrenten. Wie heeft er in de buurt de hoogste schooladviezen?

We willen goed onderwijs voor iedereen, of toch niet…

We moeten ieder kind onderwijs op maat bedienen, maar we hebben ‘passend onderwijs’. Een wet waar ik destijds op 6 maart 2012 met ruim 50.000 andere leraren tegen gedemonstreerd heb. We pasten niet eens met zijn allen in de Arena. Veel leraren stonden buiten. En allemaal wisten we: ‘Dit gaat helemaal niet passen. Dit wordt nog meer dossiervorming, nog meer vertraging en nog meer specialisten in de school die leerkrachten gaan vertellen hoe ze de zorg voor dat ene kind moeten combineren met die andere 30 leerlingen, waarvan een kwart ook een dik zorgdossier heeft.’ We riepen het. We voorspelden het. En het kwam uit. Meer dan ooit zien we een onvermogen van systemen om in gecompliceerde gevallen met creatieve maatwerkoplossingen te komen. Dikke dossiers zijn vooral veel werk en verschaffen maar zelden een passende plek voor een leerling.
Natuurlijk kunnen bemiddelde ouders naar een dure school. Voor een mooie bijdrage kan je kind les krijgen in een klas van 20 leerlingen met twee leerkrachten. Ja hoor, die scholen bestaan. Als je er maar voor betaalt. En natuurlijk kan je kind op bijles voor een leuke uurprijs. Ongelijkheid is nu. En die ongelijkheid groeit.

Goed beleid heeft goede mensen nodig, maar die verdwijnen juist…

Leraren vertrekken uit de grote steden, vertrekken van scholen met een lastige populatie of verlaten het onderwijs helemaal. Lerares op het speciaal onderwijs – Bianca van der Meer – deed een boekje open over hoe zwaar onderwijs kan zijn. Zulke scholen zullen het meeste moeite hebben met het verkrijgen van goed personeel. En dan wordt dat zware vak nog zwaarder en zullen scholen sluiten. Het onderwijsinfarct zal plaatsvinden op plekken waar mensen het meest kwetsbaar zijn.

En toch…

Het vak zelf is mooi. Een school is een gemeenschap, een klein dorp. Je betekent echt iets als leerkracht. Je hebt leerlingen niet alleen leren rekenen maar ze ook inzichten verschaft. Je hebt ze gesteund en met ze meegeleefd. En je krijgt zoveel terug. Je komt oud-leerlingen tegen die tegen je zeggen: ‘We deden zoveel leuke dingen!’ of ‘door u ben ik naar de TU gegaan’. Of ze vragen verbaasd: ‘U heeft echt iets van mij geleerd? Van mij? En ik was zo moeilijk!’ Ja, de lastigste kinderen zijn vaak je grootste leermeesters.

Zelf heb ik weinig geloof meer in de politiek. Al blijf ik wel demonstreren zodat het onderwijs een topprioriteit blijft naast al die andere topprioriteiten. Als dat extra geld oplevert zal het ook op de juiste manier moeten worden ingezet. Er hangt veel mist rond onderwijsgelden. Waar komt dat geld nu echt terecht? En waar blijft die duidelijke visie om het onderwijs structureel te ondersteunen?

We kunnen voorlopig niet anders dan rekenen op onszelf. Doen waar we energie van krijgen. ‘Nee’ zeggen – echt ‘nee’ zeggen – tegen wat we onzin vinden. Buiten de lijntjes durven kleuren. ‘Flip the system,‘ zoals Jelmer Evers en René Kneyber het zo treffend beschrijven. Zoals Sjef Drummen  heeft gedurfd en gedaan met Agora en beschrijft in zijn prachtige boek ‘Catharsia’ (een pleidooi tegen mayonaise in de hersenen en ter voorkoming van educatieve alzheimer). En we moeten elkaar vinden in eigen samenwerkingsverbanden zoals ik deze week zo mooi zag toen ik te gast was bij Technolab in leiden.

Wordt vervolgd,
Juf Annemarie

Nieuw Curriculum naar Minister. En nu…?

fb4da123-e30e-4b58-a389-3df89ac8f185Gisteren zijn de bouwstenen voor een nieuw curriculum aangeboden aan Minister Slob van Onderwijs in het Montaigne College in Den Haag. Er was een markt waar de ontwikkelteams en ontwikkelscholen hun eindproducten toonden aan een bonte stoet aanwezigen die allen belang hebben bij goed onderwijs. De Minister nam de bouwstenen in ontvangst die de basis kunnen worden voor nieuwe kerndoelen en eindtermen en zal ze voorleggen aan de Tweede Kamer.

Reacties
Het is de eerste keer dat leraren en schoolleiders hebben meegedacht en gezamenlijk met SLO (Stichting Leerplan Ontwikkeling) hun curriculum hebben vormgegeven. Dit project van ruim een jaar werd gisteren afgesloten. Natuurlijk was er lof, blijdschap en trots, uiteraard was er ook tegenstand, hoon en verzet, maar er is vooral stilte… Het innoveren van ons curriculum leeft nauwelijks in het onderwijsveld. Zou dat komen door de hoge werkdruk? Is het misschien het schrijnend lerarentekort? Komt het omdat bijna iedere onderwijsinnovatie tevens een bezuiniging was?

Gesprek
Misschien is het stil omdat de collega’s in de waan van de dag geen tijd meer vinden voor een gesprek. Zelf mis ik op school ook een gezamenlijk nadenken over onderwijsinhoud. Het zou deel moeten uitmaken van je werk: nadenken over wat je eigenlijk aan het doen bent. Ons vak is zo uitgehold dat leraren geen tijd krijgen om te reflecteren. Wij zijn uitvoerders geworden die zijn opgesloten in ons klaslokaal. Om een goed beeld te vormen over je vak dien je juist vaak buiten de grenzen van dat lokaal te kunnen treden. Zo zie je op afstand hoe het onderwijs op jouw school zich verhoudt tot wat er elders in de wereld gebeurd. Marco Snoek verwoordt heel mooi in zijn artikel in Didactief dat veel leraren meer willen en kunnen zijn dan de uitvoerders van een lesmethode.

Ik heb zelf mogen deelnemen aan het ontwikkelteam Mens & Natuur. Daar heb ik bevlogen en zeer kundige collega’s leren kennen. Naast ons werk als docent hebben wij met passie en plezier ons vakgebied beschreven. We begonnen als individuen aan een schijnbaar onmogelijke klus. Inmiddels zijn we een grote familie met een gemeenschappelijke taal. En bij ons is het nooit stil.

Daarom was voor mij deelname aan Curriculum.nu een mooi cadeau. Een cadeau dat eigenlijk geen cadeau mag zijn maar standaard een plek zou moeten hebben in alle lagen waar gewerkt wordt aan onderwijs: op landelijk niveau, op bestuursniveau, op schoolniveau binnen teams en op de werkvloer met leerlingen en ouders.

Op plekken waar dit bouwen aan onderwijsinhoud structureel plaatsvindt is nauwelijks sprake van een lerarentekort. Leerkrachten zoals ik willen daar graag werken. Die plekken zijn schaars in Nederland. De leraren in mijn ontwikkelteam voelen dat allemaal, net als ik, als een te krap zittend pak. Ze willen zich ontwikkelen. Ze willen wat ze hebben geleerd toepassen in hun onderwijspraktijk. Inmiddels is ruim tweederde van de leraren uit mijn ontwikkelteam verhuisd naar een andere baan in het afgelopen jaar. Dat moet toch iets zeggen…

En is het nu allemaal nieuw?
Er is veel verzet tegen een ‘nieuw’ curriculum. ‘Moeten we dit er ook nog allemaal bijdoen?’ is een veelgehoorde klacht. Of: ‘Moet het nu weer allemaal anders?’ Toch zijn er maar twee ontwikkelteams met een nieuwe onderwijsinhoud bijgekomen: Burgerschap en Digitale geletterdheid. En naar mijn idee heeft eigenlijk alleen Digitale geletterdheid wezenlijk nieuwe onderwijsinhoud.

Binnen ons eigen ontwikkelteam Mens en Natuur zijn we vooral bezig geweest met definiëren van ons vakgebied. Voor dit brede vakgebied met aardrijkskunde, natuurkunde, scheikunde, biologie, ‘nature of science’, techniek en technologie hebben we een referentiekader beschreven. We kwamen tot de slotsom dat kennis altijd in samenhang bestaat met denkwijzen en werkwijzen. Ook het perspectief van waaruit wij vraagstukken bezien is van belang. Met een ‘technologische bril’ op kijken we immers anders naar de wereld dan met een ‘duurzame bril’. Deze verschillende lagen in het onderwijs zijn helder vormgegeven in onze bouwstenen. Een goede les bestaat nooit alleen uit kennis, maar ook nooit slechts uit vaardigheden. Het is een combinatie van kennis, denkwijzen, werkwijzen en vraagstukken.

Geen nieuwe vakken dus. Wel een actuelere manier van aankijken tegen deze vakken. Hoe zien we de overgang van po naar vo? Hoe vinden we samenhang? Hoe gaan we overladenheid tegen?

Hoe de politiek verder ook gaat beslissen over het toekomstig curriculum, er ligt hier een mooi product waar het onderwijsveld zo mee aan de slag kan in lessen, maar ook binnen thema’s en projecten.

Hoe dan?
Dat ‘HOE’ mogen de scholen zelf invullen maar is eigenlijk ook niet nieuw. Ik durf te beweren dat dit twintig jaar geleden een minder moeilijke vraag was dan op dit moment. Dat komt omdat ons onderwijs ernstig is verschraald. In het primair onderwijs is dat vooral teruggeschroefd naar het op orde hebben van de basis: rekenen en taal (= lezen, spelling, grammatica). Dat kleine stukje van onze linkerhersenhelft dat makkelijk toetsbaar is. Gelukkig komt men steeds meer tot het besef dat scholen dienen bij te dragen aan het vormen van veelzijdige wereldburgers. Mensen die hun eigen kwaliteiten hebben leren ontplooien. Hoe laten wij leerlingen zich verwonderen? Hoe stimuleren wij hun denken? Hoe helpen we leerlingen open te staan voor elkaar? Allemaal vragen die hernieuwde aandacht krijgen in ons onderwijs. Voor sommige scholen is dit dus ook helemaal niet nieuw. Daar is dit gewoon dagelijkse praktijk. Zij zullen waarschijnlijk geïnspireerd raken als ze zich gaan verdiepen in de bouwstenen van curriculum.nu en ze op dit moment al praktisch kunnen gaan inzetten.

Ruimte
Dit vergt wel teams en leraren die sterk zijn en kunnen kijken naar wat nodig is. Het vergt besturen die het over onderwijsinhoud durven hebben. En het vergt een politiek die de werkvloer de ruimte en de middelen verschaft. Want bij dergelijke rijke lessen zijn teams en leerkrachten voortdurend net zo hard aan het leren als de leerlingen. Dat vereist gesprekken en samenwerking die dagelijkse praktijk zijn en geen ‘cadeautje’. Het brengt de leerlingen zoveel meer maar vereist ook meer voorbereidingstijd en inzicht dan alleen lessen uit een methode.

Waar ik trots op ben…

Door de collega’s van mijn ontwikkelteam was mij gevraagd of ik voor onze kraam op de onderwijsmarkt in het Montaigne, wat voorbeelden kon tonen over hoe wij dit rijke onderwijs aanbieden. Onderwijs waarin leerlingen onderzoeken en ontwerpen en waarin ze mogen MAKEN en DOEN, kortom waarin elementen van ons toekomstig curriculum een plek hebben. Natuurlijk was ik trots dat Minister Slob even een praatje kwam maken. Maar nog trotser was ik toen er kinderen langskwamen die verwonderd naar een aantal werkstukjes in onze kraam keken. ‘Oh wat is dat?’ ‘Hoe werkt dit?’ ‘Kunnen wij dit ook gaan doen?’ ‘Hoe heet jullie school? Ik wil ernaartoe…’ Veel van die werkstukjes zijn gemaakt door leerlingen van mijn collega Rita Baptiste die volgend jaar met pensioen gaat. Zij heeft zich haar hele leven beziggehouden met het curriculum van de toekomst. Ik ben dus ook trots op Rita die zich gewoon altijd oriënteert op wat een goed curriculum inhoudt. En ik ben trots op mijn ontwikkelteam Mens & Natuur, waar ik zoveel heb mogen leren en waar we samen in bouwstenen glashelder hebben beschreven waar ons vak over gaat.

Wordt vervolgd,
Juf Annemarie

 

 

 

Leerlingen en hun avatars: verbeelding en verwondering…

Alles in het onderwijs is een race tegen de klok met een minimuum aan middelen. En dat terwijl het onderwijs ons zou moeten behoeden voor afglijden naar barbarij. Maar er is altijd hoop. En hoop is volgens Chesterton: ‘the power of beeing cheerful in curcumstances that we know to be desperate.’ Daar zou ik aan willen toevoegen dat als het grote weinig soulaas brengt, dat we dan oog moeten hebben voor het kleine.

Workshops
Bij dat hele kleine kwam ik terecht toen ik nadacht over de workshops die ik iedere dinsdag moet geven aan een groep leerlingen uit klas 7 en 8. Ik ben dol op fotografie en wilde gezamenlijk met mijn leerlingen de geheimen van een goede compostitie ontsluieren en uitproberen. Daar heb ik goed materiaal over. Maar natuurlijk hebben we niet voor iedereen een fototoestel. Mobieltjes dan? Niet eerlijk tegenover de leerlingen die er geen hebben, merkten mijn collega’s fijntjes op. En had ik wel rekening gehouden met AVG, de huidige privacywet?

Zo klein mogelijk
Ok dan! Als het klein moet zijn dan maken we het klein. Ik grijp gewoon terug op een oud lesidee dat geen drol kost. Het idee komt uit 2013 toen ik net met de nieuwe opzet van deze Woord&beeldclub aan de slag ging. Het leverde mij destijds ook de avatar op die ik nog steeds online gebruik.

IMG_6512

Wat is een Avatar?
Dat wisten veel leerlingen ook niet. Het is een plaatje – vaak een portret van jezelf – dat je gebruikt bij een online account als Twitter, Facebook of Instagram. Zo kunnen bezoekers in een oogopslag al zien met wie of wat ze te maken hebben. Ik vroeg de leerlingen wat ze uit mijn avatar konden opmaken. ‘U houdt van tekenen.’ Helemaal goed. En ik hou van lijnen. Ik had het halve portret ook kunnen inkleuren. De eenvoud van de ballpoint-lijn spreekt me in dit geval aan en benadrukt hier het verschil tussen de tekening en de werkelijkheid. ‘Er komt iets uit uw oor,’ observeerden de leerlingen. Ze legden al gauw de link met gedachten en fantasie en ja, dat is het precies. Het vogeltje en de vlinder die uit mijn oor komen vliegen, staan voor die dingen die in je hoofd zitten en die er graag uitkomen. Soms zie je ze terug in deze blog.

En nu jullie…
Ik sprak met de leerlingen over wat ze wilden uitdrukken met hun avatar. Die kan hun interesse uitdrukken. Waar hou je van? Pokemon is erg in trek op dit moment maar ook superhelden of japanse tekenfilms kunnen je stijl beïnvloeden. Ook kun je emoties vastleggen in een tekening gecombineerd met je portretfoto. Welke emotie willen ze uitdrukken? En welke lijnen en spieren in ons gezicht gebruiken we daarvoor?
gezichtsuitdrukkingen2

Maken
Maken is een proces dat bestaat uit pogingen die worden bijgesteld. Eerst moesten de leerlingen wennen aan de opdracht. Wat wordt er nu precies bedoeld? En hoe werkt dat als je een papiertje met een deel van een getekend gezicht voor je eigen gezicht laat fotograferen? Hoe groot moet ik mijn getekenende gezicht maken? De leerlingen moesten leren aanvoelen hoe het getekende gezicht zich verhoudt tot hun eigen gezicht. Veel uitproberen en bijstellen dus…

Bij de eerste pogingen bleek de breedte van het gezicht en de positionering van de neus lastig. En als iets lastig is kom je op een aanpak, een strategie. Beginnen met de plek van de ogen was er zo één…

En dan verder…

En doorzetten… Hieronder is de concentratie voelbaar in de verschillende fases van het onderzoek.

En als je het dan doorhebt wordt je vrijer en maak je dit… Dit is van dezelfde leerlinge…
IMG_7351

Verbeelding is onbegrensd
Dan blijkt dat er met een klein papiertje op A6-formaat een wereld aan mogelijkheden opengaat. De resultaten zijn expressief en werden gedurende de les technisch steeds beter.

Zo wordt het kleine weer groot en kan een groep leerlingen een hele middag bezig zijn met minimale middelen hun avatar vorm te geven. Ze geven uitdrukking aan hoe stoer, vrolijk, mooi of sprookjesachtig ze kunnen zijn. Ze raken geïnspireerd door elkaars werk, ze proberen uit en schaven bij… Om met Maya Angelou te spreken: ‘You can’t use up creativity. The more you use, the more you have.’

Wordt vervolgd,
Juf Annemarie

 

Voel ik me nog thuis in het onderwijs?

Afgelopen vrijdag bezocht ik de expositie van Do Ho Suh (1962) in museum Voorlinden. Al eerder blies deze kunstenaar me totaal omver in de documentaire ‘Home away from home’ (hier terug te zien in de Close-up serie van de Avro). De Zuid-Koreaan houdt zich bezig met wat het betekent om thuis te zijn. In dit blog schrijf ik over onderwijs. De poetische beelden van Do Ho Suh confronteerden mij met mijn eigen vragen over de huidige stand van zaken. In hoeverre biedt ons onderwijs ons een plek om thuis te kunnen zijn? Is het onderwijs nog wel ‘mijn plek’? In dit artikel heb ik de beelden van Do Ho Suh gekoppeld aan mijn gedachten en vragen over ons huidige onderwijslandschap.

Eenheid of vrijheid?

In de eerste zaal stuitte ik op twee vage portretten van een jongen en een meisje en een serie uniformen. Deze univormen zijn replica’s die Do Ho heeft gemaakt van de eigen originelen die hij in zijn leven heeft gedragen. Het eerste uniform is klein en past een kleuter van een jaar of 4 en het laatste uniform heeft hij op zijn 39ste gedragen tijdens zijn dienstplicht. Voor de foto’s heeft Do Ho zestig portretten van zijn klasgenoten van de middelbare school laten samenvloeien in een stereotype afbeelding van een meisje en een jongen.
Zowel de uniformen als de portretten laten een spanningsveld zien tussen individu en collectief. ‘Natuurlijk, Zuid Korea’, zul je denken, ‘daar moet het individu veel meer in de pas lopen dan hier en dat gaat wringen. Wij dragen hier geen uniformen.’

Maar juist in ons land waar we zo trots zijn op onze vrijheid, lijkt er het meer dan ooit te schuren tussen onze individuele belangen en die van het geheel. Hoe vaak komen ouders niet klagen bij de leerkracht dat de behoeften van hun kind niet aan bod komen in de klas? Hoe heftig is niet de discussie over toetsing? Alle leerlingen dezelfde toets. Is dat wel eerlijk? Moet het anders? Kan het anders? Hoe beoordelen we kwaliteiten en talenten van leerlingen? En kan de leerkracht zelf zijn talenten voldoende kwijt in een onderwijssysteem dat over het algemeen draait op het werken vanuit voorgeschreven methoden? Drijft ons onderwijs op de kracht van systemen, methoden en curricula, of vooral op passie en kunde van individuen?

Die vragen zijn lastig te beantwoorden, maar één ding is zeker: individuen willen worden gezien. Zowel leerlingen als leerkrachten zijn veel meer dan cijfers en dossiers. Zij willen functioneren in een systeem dat recht doet aan wie zij zijn. Daarom is er in zo’n systeem ruimte nodig. Ruimte voor fouten, reflectie, dromen, creativiteit, open eindes… Een mens is immers geen product. Of toch wel? Dan in ieder geval een heel ingewikkeld product dat niet fabrieksmatig kan worden gevormd.

De ruimte die wij zijn

Do Ho verliet Zuid-Korea om in de Verenigde Staten zijn kunstopleiding voort te zetten. Het verlaten van zijn geboorteland maakte hem bewust van wat het betekent om thuis te zijn. Voor hem is een huis als een jas of een tweede huid. De ruimte gaat op jou lijken maar jij neemt ook de ruimte in je op. Hij wil de herinneringen aan de ruimten waar hij heeft gewoond meenemen. Tot in de kleinste details heeft hij zijn voormalige woonhuizen in transparante voile nagemaakt. Een herinnering waar wij nu doorheen kunnen lopen.

Een ruimte kan een thuis zijn. Zo kan taal ook een thuis zijn en vormt familie en de herinneringen die je meedraagt je thuis. Wat dat betreft zijn ook onze leerlingen geen onbeschreven blaadjes. Ze nemen hun eigen thuis en hun geschiedenis met zich mee. Die is heel divers. Voor een project over identiteit maakte ik al eerder eens een filmpje over de achtergronden van onze leerlingen met hun talen en hun geschiedenis, die zij de klas in brengen.

Veel leerlingen hebben net als Do Ho al verschillende huizen achter zich gelaten…

IMG_7532

De trap
IMG_7517

Deze rode zaal met transparante rode trap staat voor mij voor wat onderwijs is. Het verbindt de ene ruimte met de andere. Het verheft, maar dat hoeft niet ineens. Trede voor trede kun je omhoog en weer terug.

Do Ho heeft ook prachtige boduursels gemaakt van trappen. De treden zijn gemaakt van vele draden. Als het goed is zijn de lessen op een school ook weefsels van denkwijzen, kennis en vaardigheden, die voortborduren op de vorige trede en nooit alleen over één ding gaan: de kale kennis. Om dit voor elkaar te kunnen krijgen heeft de leerkracht denktijd nodig om zijn lessen voor te bereiden, te evalueren en bij te slijpen. Hij leert net als de leerling en moet daarvoor de gereedschappen en de ruimte krijgen.

En zo is leren een reis. Een reis om thuis te komen bij jezelf…
IMG_7549

Wij mensen zijn lerende dieren. We bouwen weer voort op wat generaties voor ons geleerd hebben. We moeten leren leren en gaan hier een leven lang mee aan de slag. Dat gebeurt zeker niet alleen op school. Ik zou zelfs willen beweren dat de school als plek waar wij leren onder druk staat. Veel leerlingen voelen zich niet meer thuis op school. Ze vallen buiten de boot. De school en prestatiedruk past niet bij hoe zij leren. Datzelfde geldt voor veel leraren. Hun eigen visie en vakkennis krijgt vaak niet de ruimte. De school is steeds minder een thuis en steeds meer een fabriek.

De huidige onvrede in het onderwijs en het lerarentekort gaat over veel meer dan alleen over geld. Het gaat over hoe het individu kan functioneren in het systeem en of we daar thuis kunnen zijn. Kunnen we onze talenten inzetten? Is er ruimte voor creativiteit en verwondering? Maar ook: kunnen we naar elkaar luisteren en samen een thuis zijn waarin iedereen welkom is?

Dus voel ik me thuis in het onderwijs? Nog wel. Het vak van leerkracht is een prachtig vak. Maar of de school mijn thuis blijft is niet zeker want het jasje wordt steeds meer een uniform. Dus blijft deze vraag voor mij – en ik weet voor vele leraren met mij – de komende tijd een spannende vraag waarop het antwoord nog onzeker is.

Wordt dus vervolgd,
Juf Annemarie

 

 

Iedere leerling brengt zijn verhaal mee…

Daar zit dan mijn klas, op de eerste maandagochtend. Voor deze 31 kinderen uit groep 7 ben ik tot kwart voor drie hun dag. Je geeft complimenten en laat kwartjes vallen, maar corrigeren en confronteren hoort er ook bij. Direct die eerste dag moet iedereen aan de bak in dat veel te krappe lokaal, waar tussen de tafels amper ruimte is om je te bewegen.

Ik heb me vooraf al zeker in 7 methodes moeten verdiepen waarvan een aantal voor mij nieuw zijn. Hiervoor was ik intern begeleider en techniekdocent. Alle lessen maakte ik zelf. Door het lerarentekort is er geen ruimte meer voor techniek. Er is trouwens ook voor leerkrachten geen ruimte meer om ziek te worden. Ieder gaatje in mijn klas is gevuld maar ook alle ruimte in het team is benut. Alle extra dagen en uurtjes die men erbij kon werken zijn ingepland. De rek is eruit. Je kunt dus nu al voorspellen wat een griepgolf voor gevolgen gaat hebben.

Daar kun je beter niet aan denken. Ik leef met de dag en concentreer me op de methoden. Die beginnen overigens nooit gewoon op bladzijde 1. Begeleidend materiaal op het smartboard, extra werkbladen, meerdere niveaus en diverse wachtwoorden passeren de revue. In mijn hoofd het schema van de dag. Vorig jaar liet ik de leerlingen gewoon een werkstuk maken waarin ze een technisch probleem aanpakken. Hoe bouw ik stevig? Hoe laat ik iets vliegen? Hoe balanceert iets? Als leerlingen zich over zo’n probleem buigen krijg je direct een indruk van hun kennis en creativiteit. Want MAKEN is denken met je handen.

Voor MAKEN is in dit rooster geen plek. Want zulke lessen vereisen veel voorbereiding en aanschaf van materialen. Ik merk bij de eerste rekenles al dat heel wat basisvaardigheden nogal roestig uit de vakantie zijn gekomen. Trage tafels van vermenigvuldiging en stroeve cijfersommen vullen de ochtend. Van het ingeleverde werk is de helft niet gemaakt en daarvan is bij een groot aantal leerlingen nog zeker de helft fout. Wat doe je dan? Op naar de volgende vijf vakken die op het schema staan? Er zijn zeker tien leerlingen die het wel onder de knie hebben en een stuk of zes voor wie alles abracadabra is. Er is geen ruimte meer in het lokaal voor een instructietafel. Hoe fixen we dat en geven we deze zes verlengde instructie?

En dan gaat bij alle lesovergangen en kleine afleidingen het dak eraf. Deze groep pakt iedere mogelijkheid om flink te kletsen. De energie moet eruit. Er moet worden bewogen, gezongen en gespeeld. Ze hebben van alles te bespreken. Al die 31 leerlingen willen worden gehoord. Dus doe ik wat bewegingsspelletjes tussendoor en gebruik ik de eerste dag ook om kennis te maken.

Ik laat de leerlingen iets over zichzelf opschrijven wat ze willen delen en waarvan ze denken dat de andere leerlingen het niet van ze weten. De briefjes zijn geheim, worden dubbelgevouwen en in een bak gedaan. Tussen de lessen door trek ik iedere keer een paar briefjes: ‘Dit gaat over een leerling die nog gezellig met een knuffel slaapt. Ra, ra, wie is dit?’ Wijzen, hardop denken, raden… Uiteindelijk wordt de schrijfster van het briefje door de klas aangewezen. Ze bloost maar kijkt ook dapper de klas in. Ik geef direct een compliment: ‘Wat heerlijk dat je nog met je knuffels slaapt. En wat een lef dat je dit gewoon vertelt!’ Stralende oogjes. Ze geeft een korte beschrijving van haar liefste knuffel. Volgende briefje…

Maar niet alle briefjes gaan over knuffels: ‘Ik heb hier een briefje van iemand die in de vakantie de dood van haar moeder heeft herdacht.’ Ik weet wie het is. Ik heb haar broer en zus in de klas gehad. Ze was een peuter toen haar moeder stierf. Ze mist haar. Degene die haar op de wereld zette heeft ze nooit mogen leren kennen. Ik vertel de klas hoe ik nog aan het bed van haar moeder heb gezeten.

De kinderen brengen hun verhalen mee. Verhalen over verre vakanties worden in een oogwenk gevolgd door verhalen over doodgeboren broertjes en zusjes. Wat dat betreft is het een goede groep. Iedereen kan vertellen. Niets is raar.

Aan het eind van de dag draaien in mijn hoofd radartjes. Ik moet hier wat mee. De leerlingen zouden meer tools moeten hebben om hun gevoelens te verbeelden. Op de dinsdagen geven we workshops. Daar zit ruimte. Ik praat erover met mijn collega Rita Baptiste en al snel vormen zich ideeën die een kruisbestuiving zijn tussen techniek en kunst. Eigenlijk kom ik daar altijd op uit. Het is mijn instrument en je voelt dat het moet, dat er een ongelofelijke behoefte aan is.

En ja, we gaan ook hard trekken aan het rekenen en aan al die andere vakken. Men noemt het ‘de basis’ die ‘op orde’ moet zijn. Daarvoor zit je op school. Toch ben ik van mening dat die andere basis ook aan bod moet komen, die verhalen die de leerlingen meebrengen…

Dus wordt vervolgd,
Juf Annemarie

 

 

 

Onderzoeken en ontwerpen met lucht…

In de technieklessen ontdekken we. Ook gewone dingen. Want juist het gewone kan zo magisch zijn. Neem nou lucht. Het is om ons heen maar we zien het niet. Toch heeft lucht enorm veel kracht. Het kan een vogel dragen maar ook een vliegtuig. Het kan een molentje laten draaien maar ook huizen de lucht in blazen. In de onderbouw van het primair onderwijs is het belangrijk dat leerlingen door spel de wereld ervaren. Spelen is leren en taal geven aan de dingen om je heen. Voor deze lessen over lucht was daar niet heel veel voor nodig. Een föhn, wat transparant plastic, een lange luierzak en je zit ook bij kleuters zo bij de wet van Bernouilli

Je kent Bernoulli niet? Bij mij hoorde hij in het rijtje van weggezakte middelbare schoolkennis. Maar bij het voorbereiden van deze lessen kwam hij weer voorbij. En iedereen kan met hem kennismaken door deze filmpjes te bekijken. Het filmpje van School-TV hieronder legt goed uit hoe de wet van Bernoulli werkt. Je kunt er onder andere mee verklaren hoe vogels en vliegtuigen vliegen.

Dit jaar geef ik de technieklessen op OBS De Startbaan aan groep 1 tot en met 4. Leerlingen die al wat ouder zijn willen weten hoe iets werkt. Het heeft hun interesse om dingen te kunnen begrijpen. Jonge kinderen leren vooral door te ervaren en te ontdekken. Voor hen is de verwondering en de ervaring vaak al genoeg. Bij groep 4 geef ik al wat meer uitleg terwijl ik de kleuters vooral laat doen en proberen. Technieklessen over dezelfde onderwerpen kunnen met dezelfde materialen dus vaak op allerlei niveaus gegeven worden.

Onderbouw po
In de onderbouw van het basisonderwijs ligt het accent op materiaalkennis. Is het materiaal zwaar of licht? Is het buigzaam, stevig of slap? Kan ik vormen maken uit het materiaal? Welke vormen vangen veel lucht? Met welke materialen kan ik welke vormen maken? En hoe zweven die verschillende vormen dan?
Als je antwoorden hebt gevonden op dit soort vragen kun je ook gaan ontwerpen. Spelenderwijs maakten de leerlingen objecten die door de lucht van de föhn op hun eigen manier omhoog konden zweven.

Vorm en functie
Door middel van het gebruik van verschillende materialen als plastic zakjes, pijpenragers, veertjes en diverse papiersoorten deden de leerlingen onderzoek naar wat het beste zweeft. Ze ontdekten hierbij dat een wokkel van een pijpenrager zichzelf letterlijk omhoog torpedeert, wat niet gebeurt met hetzelfde stukje materiaal als het recht van vorm blijft. Voor de midden- en bovenbouw zou het een leuke ontwerpopdracht kunnen zijn om een molen te bouwen. Iedereen weet dat we zoeken naar alternatieve energie en dat windenergie daaraan kan bijdragen. Maar windmolenparken hebben ook nadelen. Een onderzoekje vooraf naar welke soorten windmolens er zijn, met hun voor- en nadelen, levert kennis op die bij het ontwerpen ingezet kan worden.

Meer Bernouilli…
Een ander boeiend onderzoek voor de bovenbouw is welk vleugelprofiel het meeste lift geeft. Dit kan eenvoudig door dezelfde strook papier steeds met een andere bolling dubbel te vouwen.

Door er een pen of lolliestokje doorheen te steken en langs de bovenkant te blazen zal de ‘vleugel’ omhoog gaan. De leerlingen kunnen er over nadenken hoe ze dit onderzoekje gaan opzetten. Hoe zorg je dat je met maar één variabele werkt? Hoe ga je je observaties meten? Hoe registreer je je observaties? Bovenstaande foto’s komen van Harvard Graduate School of Education en maken deel uit van lesmateriaal om leerlingen te laten onderzoeken en ontwerpen met Bernouilli.

Veel ouders zouden blij zijn als ik ze vertel dat we onze kleuters zo de eerste stapjes leren zetten richting Harvard. Enkele van onze leerlingen zullen misschien inderdaad later wetenschappelijk onderzoek gaan doen, anderen zullen wellicht doorbreken met geniale ontwerpen. Dat zou ik geweldig vinden. Maar het mooiste blijft voor mij dat deze lessen op ieder niveau onderwezen en begrepen kunnen worden. En als ik de leerlingen wat zou willen meegeven, dan is het vooral dat ze moeten blijven spelen en zich blijven verwonderen, want zelf lucht is verwondering waard. Ter verwondering en bewondering daarom nog tot slot dit filmpje van Jan van IJken…

Wordt vervolgd,
Juf Annemarie

 

Onderwijsdag met CultuurSchakel: ontmoetingen met cultuuraanbieders, Jelle Jolles en Gert Biesta…

Soms moet je de school even uit om je werkzaamheden op die school te overdenken, te verbeteren en te toetsen. Om even los van je dagelijkse doen met bekenden en onbekenden te praten en te luisteren naar hun ideeën. De Haagse Cultuuronderwijsdag van de CultuurSchakel, op woensdag 17 april, was zo’n moment. In de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten vonden ontmoetingen plaats tussen scholen en Haagse aanbieders van cultuur. Er was een heerlijke avondmaaltijd met als toetje lezingen van Jelle Jolles (Hoogleraar Neuropsychologie en directeur van het Centrum Brein & Leren) en Gert Biesta (Onderwijspedagoog en hoogleraar Educatie aan onder andere de Brunel University London). Hier volgt een verslag van mijn ervaringen van deze dag.

KABK
In het gebouw van de Koninklijke Academie heb ik 5 jaar lang rond mogen lopen. Ik ben er ‘afgestudeerd’ als schilder. Ik schrijf het woord ‘afgestudeerd’ hier tussen haakjes omdat je eigenlijk als schilder nooit afgestudeerd bent. Zelfs de grootste kunstenaars waren nooit ‘afgestudeerd’. Het is een levenslange zoektocht, op welk niveau je je ook bevindt. Wat onmiddellijk de vraag oproept of dat voor andere vakken ook geldt. Stiekem denk ik van wel. Het lopen door het gebouw riep bij mij weer een hoop herinneringen op. Het was de eerste school waar ik me thuis voelde. Een school waar ik beter heb leren kijken. Ik kwam er als 18 jarige vanuit Almelo voor naar Den Haag en heb die stad nooit meer verlaten. Er waren meer oud leerlingen. Met mensen die ik helemaal niet kende haalde ik herinneringen op over onze kunstacademietijd. Nu breng ik als cultuurcoördinator mijn liefde voor de kunsten de basisschool binnen. En deze middag was opnieuw een check hoe de manier waarop ik dit doe raakt aan hoe anderen hierover denken.

Aanbod

Er was een divers aanbod, zoals hierboven te zien is. Ik leerde dat West Den Haag en Anna Vastgoed en Cultuur een nieuwe culturele hotspot realiseren in de voormalige Amerikaanse ambassade. Ik sprak met Ludette el Barkany van ‘Huis van Gedichten‘ over de waarde van poëzie en hoe wij leerlingen daarmee in contact brengen. Dat gesprek was zo leuk en we hadden zoveel gemeen dat we afspraken zeker nog samen een kop thee gaan drinken. Ik schreef me in bij Anouk Notenboom en Debbie Coninck Westenberg voor een leernetwerk over thematisch werken. Maar vooral het nagerecht bleef bij mij nog lang nagonzen. De afsluitende lezingen van Jelle Jolles en Gert Biesta waren beiden weer een toetssteen voor mijn werk als docent.

Ervaringen
Ik biedt leerlingen graag kennis aan via ervaringen. De verwerking van die kennis vindt in mijn lessen vaak plaats door MAKEN en DOEN. Hieronder een kort filmfragment over de laatste lessenserie waarin de onderbouw van het po kennis maakt met de kracht van lucht en hun ontwerpen test in de luchtkolom van een föhn (in mijn volgende blog volgt meer hierover).

De leerlingen zijn meestal enthousiast over deze aanpak. Ook collega’s en bestuurders vinden het ‘mooi‘ en ‘leuk voor onze pr‘. Maar het onderwijs dat ik graag wil geven is een manier van lesgeven die ook vaak onder vuur ligt: ‘Jij hebt er de tijd voor. Ik kan dit er echt niet bij doen.’; ‘Wat leren ze hier nu van?’; ‘We moeten eerst de basis op orde hebben.’ Als je dit soort vragen en opmerkingen krijgt over je werk ga je je inderdaad afvragen ‘wat de leerling nu leert’ in je lessen. Dat blijkt niet zo makkelijk. Je kunt immers niet in de hoofden van leerlingen kijken. En als je bredere leerdoelen hebt dan bijvoorbeeld ‘optellen en aftrekken over het tiental’, dan is dit nog niet zo eenvoudig te evalueren. Hoe toets je of een leerling beter gaat observeren? Hoe krijg je boven water of een leerling zijn creativiteit ontplooit? Je kunt natuurlijk gesprekken daarover voeren en leerlingen werkstukken laten presenteren, maar een echt compleet helder plaatje wordt het nooit. En moet je dat willen? En wat versta ik zelf eigenlijk onder ‘de basis’? Men bedoelt uiteraard dat rekenen en taal de vakken zijn die de kern uitmaken van het basisonderwijs. Wat vind ik daar nu zelf van? Deze vragen maken dat ik mijn eigen denken en handelen steeds toets aan onderzoek, meningen en bevindingen van anderen.

Jelle Jolles heb ik al diverse keren horen spreken en van Gert Biesta hebben we onlangs bij het ontwikkelteam ‘Mens en Natuur’ van Curriculum.nu, waaraan ik deelneem, zijn oratie ‘Tijd voor pedagogiek‘ (download: Oratie Biesta) bestudeerd, om zijn gedachtengoed over pedagogiek te verwerken in ons toekomstig curriculum.

Jelle Jolles
De lezing vanJelle Jolles was weer een feest van herkenning. Ik zoek zelf ook voortdurend naar manieren om door middel van het stellen van vragen denkprocessen bij leerlingen op gang te brengen.

Deze diashow vereist JavaScript.

En probeer leerlingen te laten verwoorden wat ze zien en wat ze denken…

Deze diashow vereist JavaScript.

Het lijkt een open deur maar…

Hoe vaak spelen kinderen nog ongedwongen, zonder leerdoelen, zonder ipad of telefoon, uit zichzelf?

Biesta: de pedagogische vraag

De lezing van Gert Biesta was wat abstracter maar zeker niet minder inspirerend. Volgens Biesta is de pedagogische vraag, de vraag van het ‘ik’. Het ‘ik’ staat in de wereld en het omgaan met die wereld is niet altijd makkelijk. Het lijkt alsof we leven in een tijd met onbeperkte keuzevrijheid. Maar op een wezenlijk niveau hebben we niet zoveel te kiezen. In welke omgeving we geboren worden en welke talenten ons ten deel vallen is een gegeven waar we mee moeten leren leven. We hebben te maken met weerstand binnen en buiten ons. Obstakels en tegenwerking in onze omgeving en onze eigen tekortkomingen staan het verwezenlijken van wensen en dromen in de weg. Hoe we daarmee omgaan is van belang. Natuurlijk kun je doorduwen en iedere weerstand willen overwinnen. In extreme vorm zijn terroristen, jihadisten en menig twitteraar daar erg goed in maar het risico bestaat dat je in het uiterste geval de wereld vernietigt. Als tegenovergestelde kun je bij het ontmoeten van weerstand je ook terugtrekken in jezelf. Het gevaar hierbij is dat je jezelf vernietigt. Dat dit aan de orde van de dag is bewijzen cijfers van de overheid die aangeven dat 1 op de 15 jongeren van 18 tot 24 jaar lijdt aan depressie. Het ‘thuis zijn in de wereld’ bevindt zich tussen deze uitersten. Het volwassen zijn manoeuvreert volgens Biesta in het grijze tussengebied. Een goede pedagogische aanpak ondersteunt leerlingen bij het zoeken naar die balans. We hoeven in de huidige maatschappij maar om ons heen te kijken om ons te realiseren dat het nog niet meevalt om je in het grijze midden te begeven dat niet zelden overschreeuwd wordt door uitersten.

Het pedagogische werk

Het is de taak van de pedagogiek om te onderbreken, om weerstand in te brengen. De wereld valt immers nooit helemaal samen met de wensen en identiteit van de leerling. Leerlingen zijn soms gefrustreerd door hun fouten, grenzen en problemen maar waar het schuurt gaan ze juist leren. Tijd, ruimte en steeds een andere aanpak zijn nodig om inzichten te verschaffen over onszelf en hoe we ons tot de wereld verhouden. Daarbij is steun van de omgeving belangrijk.

Kunst

Om je plek te leren vinden in de wereld kan een leerkracht of ouder je bijstaan. Maar ook kunst kan volgens Biesta de rol vervullen om te onderbreken, te vertragen of te ondersteunen en te troosten.

Helga Eng opperde dat kunst het leidend principe zou kunnen zijn voor ons onderwijs. Dat zou hier een hele revolutie betekenen. Van ‘de basis op orde‘ en ‘kunst als kers op de taart‘ naar ‘de kunst centraal stellen‘. Ik denk dan ook niet dat dit ervan zal komen. Ik voel me wel gesterkt door dit soort denkoefeningen omdat kunst in mijn leven altijd leidend is geweest. Als kind van 6 was dat al zo. Dat heeft niets te maken met topkunst of succesvol zijn in de kunstwereld. Het heeft te maken met een rode draad in je leven hebben waardoor je altijd verwonderd, getroost en uitgedaagd wordt door kunst en schoonheid in de wereld. Dat is een grote rijkdom.

Die rijkdom neem ik weer mee de klas in en de lezing van Gert Biesta heeft me daarin gesterkt. De manier waarop leerkrachten hun lessen vormgeven heeft ook te maken met hun ‘ik in relatie tot de wereld’. Ik kan eigenlijk niet heel anders gaan lesgeven dan ik nu doe. Door de jaren heen ontwikkel je een manier van doen, waarin je zoals Biesta schetst, je eigen grijze middengebied zoekt. Je ontwikkelt voorkeuren voor een leeftijdsgroep, voor een aanpak en voor de vakken die je geeft. Natuurlijk kun je die voorkeuren oprekken als de wereld er om vraagt, maar ook weer niet teveel want dan doe je jezelf geweld aan. De manier waarop ik werk geeft me energie. Ik heb de vrijheid nodig om het op deze wijze te doen. Net als een leerling ook vrijheid nodig heeft om zich te ontwikkelen. Een vrijheid die steeds ter discussie staat en die je steeds opnieuw moet verantwoorden en bevechten. Leren en lesgeven is geen product of protocol. Het is een proces. Het vindt dan ook niet alleen plaats op school. Als het goed is leer je overal waar je bent een leven lang.

Het was dus een mooie woensdag die nog voor langere tijd stof tot nadenken biedt. CultuurSchakel: dank hiervoor…

Wordt uiteraard vervolgd,
Juf Annemarie

 

Technieklessen onderbouw po: eerst onderzoeken dan ontwerpen…

Ook kleuters kunnen academische taal ontwikkelen. In de technieklessen gaan we moeilijke woorden niet uit de weg. De afgelopen lessenserie in de onderbouw ging over statische elektriciteit. Veel kleuters wisten al wat dat was. Ze konden beschrijven wat er gebeurde. Er werd genoemd ‘het doet pijn,’ of ‘een tik’. Door woorden te herhalen en zinnen te herformuleren ontstaat er een gesprek:
‘Oh je voelde dus pijn?’
‘Ja, en er was een tik!’
‘Dan heb je een schokje gehad. Dat was statische elektriciteit.’
‘Oh, elektriciteit…’
‘Ja, statische elektriciteit. Hoe kreeg je dat schokje?’
‘de autodeur…’
‘wilde je de autodeur opendoen?’

Veel leerlingen uit de onderbouw wisten ook al dat ballonnen statisch kunnen zijn en konden uitleggen hoe ze die statische elektriciteit konden opwekken: ‘Door de ballon over je haren te wrijven.’ Maar dat dit ook met een pvc buis kon wisten ze niet en ze konden niet voorspellen wat er gebeurde als je een pvc buis met een doek opwrijft en bij een ballon houdt. De proefjes uit het filmpje hieronder vonden ze dan ook heel spannend…

‘Onderzoeken’ in de onderbouw van het basisonderwijs betekent dan ook vooral bekend raken met verschillende materialen. Hierbij leren ze abstracte begrippen als ‘zwaartekracht’, ‘balans’, ‘magnetisch’ en ‘statisch’. Ook leren ze denkprocessen verwoorden als ‘voorspellen’, ‘onderzoeken’ en ‘verklaren’. Daar horen voegwoorden bij als ‘daarom’, ‘want’ en ‘omdat’. Ze leren al doende diverse verbanden leggen. Zie ook dit blog over ‘MAKEN in de klas als begrijpend DOEN’.

Nadat de leerlingen door de verschillende proefjes een begrip hadden gevormd van het fenomeen ‘statische elektriciteit’ mochten ze een tekening ontwerpen waarin elementen konden bewegen door statische elektriciteit. Daarvoor moesten ze bedenken welke dingen bewegen in hun tekening. Ze bedachten bewegende haren, vleugels, de cape van Batman, maar ook de beweging zelf werd soms heel mooi in beeld gebracht…

Hun ontwerpen moesten dus voldoen aan een programma van eisen:
1. Iets moest kunnen bewegen met statische elektriciteit
2. Zo laat de tekening een actie zien: Wapperende haren of flapperende oren

Hierdoor moesten de leerlingen ook nadenken over hoe ze iets gingen opplakken: waar zitten vleugels eigenlijk vast?; hoe laat ik een cape wapperen?

En dan is het fijn dat ze hierover kunnen praten met de hulpouders die ook tijdens het verkennen van de proefjes met de leerlingen hebben meegedaan.

Dank dus weer aan alle hulpouders, want technieklessen zijn intensief en in kleine groepjes kunnen alle leerlingen goed met al hun vragen terecht. Het is mooi dat ouders op deze manier samen met hun kinderen ontdekken, redeneren en argumenteren en een grote bijdrage leveren aan de lessen. Sommige ouders brengen hierbij hun eigen technische kennis mee en breiden de proefjes uit met hun eigen ideeën. Die ballon kan ook bij een waterstraal en hé wat leuk, je kunt hem ook tegen het smartboard plakken als hij statisch geladen is.

Ouders zijn in de technieklessen dus altijd welkom.

De volgende keer gaan we het hebben over de kracht van lucht.

Wordt dus vervolgd,
Juf Annemarie

 

Techniekles: observeren is niet hetzelfde als kijken…

99d9404f-6784-4b36-9e72-2bbd42578661Hoe belangrijk de vaardigheid ‘observeren’ is, bleek deze week in groep 7. De groep was bezig met een ‘eenvoudige’ les die op deze site staat. Een les over optische illusies. Hierbij speelt de vraag: zien we met onze ogen altijd de realiteit? En in het verlengde daarvan: in hoeverre nemen onze zintuigen de werkelijkheid waar? Om met deze vragen te oefenen kunnen de leerlingen een papieren bouwpakketje in elkaar zetten van een robothondje met een hol gezicht. Een hol gezicht is iets wat menselijke hersenen niet ‘begrijpen’. Onze hersenen vullen zelf het beeld van onze ogen in en maken er een diertje van dat ons blijft aankijken. Een verschijnsel dat als optische illusie bekend staat onder de term ‘Hollow face’. In onderstaand filmpje is mooi zichtbaar wat we zien als we naar een ‘hol gezicht’ kijken…

Leuk hè? Het robothondje blijft de camera volgen. Dat is niet wat er in het echt gebeurt. Dan blijft het hondje gewoon stil zitten, maar onze hersenen maken van het holle gezichtje een kopje dat onze camera blijft volgen.

Maar de juf van de klas kwam naar me toe met de mededeling ‘dat het niet lukte’. Ze hadden allemaal het hondje in elkaar gezet. Ze wisten allemaal dat het een hol gezichtje moest worden. Ze hadden ‘alles goed gedaan’ en toen een filmpje gemaakt waarop ‘niets’ gebeurde! Wat een teleurstelling! Hoe nu verder? De juf liet me onderstaand filmpje zien op haar telefoon…

De vraag aan u als lezer is nu: ‘Kunt u door te kijken naar dit filmpje erachter komen waarom het hondje hier niet zo leuk meekijkt naar de camera?’ Wat u nu doet is observeren. Kijken met een vraag in je hoofd. En vervolgens analyseren wat je waarneemt. Dit is niet slechts een activiteit voor de ogen. Het laat ook ons brein kraken…

Heeft u het antwoord al? Voor wie er nog niet uit is… Juist aan het eind van het filmpje wordt duidelijk dat dit hondje geen hol gezicht heeft. ‘Huh? geen hol gezicht? Maar we hebben hem toch hol gevouwen?’ Nee, niet dus… En dat heeft weer te maken met het feit dat zelfs het in elkaar vouwen van dit modelletje voor ons tegennatuurlijk aanvoelt. De leerlingen denken: ‘Ok, we vouwen nu een hol gezichtje’, maar nee, dat doen ze niet. Ze vouwen gewoon een ruimtelijk vormpje van een kop van een robothondje terwijl ze denken dat het hol is.

De hele klas had dezelfde ‘fout’ gemaakt. Interessant! Daaruit blijkt dus dat iedere leerling tegen zichzelf heeft gezegd: ‘Ik ga hier een hol gezicht in elkaar vouwen’, en er dan volgens een ingeslepen menselijk patroon een ruimtelijk kopje van heeft gevouwen. Wat daarna gebeurt is nog interessanter: het gemaakte model werkt niet! Geen enkele leerling, ook de leerkracht niet, kunnen er door te observeren achter komen wat er niet klopt aan hun bouwpakketje. Ze bleken allemaal niet in staat hun gemaakte model werkelijk te observeren. Is het wat je denkt dat het is? Zo niet, waarom niet? Heb ik gemaakt wat ik dacht dat ik maakte? Interessante vragen naar aanleiding van een interessante collectief gemaakte fout. De volgende stap is dan dat er ook collectief van geleerd kan worden. En dat was leuk!

Na het observeren en analyseren gingen de leerlingen vol goede moed hun model verbeteren. Ze merkten dat het niet meeviel en ze probeerden uit met hun mobiel of de filmpjes nu wel het gewenste effect lieten zien. Ook door die filmpjes weer te observeren kunnen bepaalde conclusies worden getrokken. Welke conclusies zou u trekken?

Ik zou zeggen dat het standpunt van waaruit je kijkt belangrijk is. Dat blijkt uit het bovenste filmpje. Zodra de ogen achter het holle gezicht kijken en er achter komen wat de constructie is, begrijpt ons brein de werkelijkheid en kijkt het hondje niet meer mee. Daarnaast blijkt uit het onderste filmpje dat een nette manier van vouwen en plakken het effect van de optische illusie vergroot. Het laatste hondje dat wel dapper probeert te kijken heeft toch een beetje een door de mangel gehaalde blik.

Dit zijn voor de hand liggende conclusies die de leerlingen zelf kunnen trekken. Technieklessen en de verwondering die ze opwekken zijn bij uitstek geschikt om te leren observeren. Het is een belangrijke vaardigheid waar we de ruimte voor moeten nemen in onze lessen. Observeren is niet hetzelfde als kijken. Je probeert als je observeert ook te begrijpen wat je ziet, toetst aannames en maakt analyses. Observeren is ook een denkproces. Het mooie is dat leerlingen van alle leeftijden het kunnen en dat er maar een kleine stap voor nodig is om je lessen ermee te verrijken.

Zo denkt ik als leerkracht altijd na over twee zaken:
1. Wat leren de leerlingen?
2. Wat leer ikzelf?

Wat ik ervan heb geleerd is hoe wezensvreemd een hol gezicht is voor ons mensen (en waarschijnlijk ook voor dieren). En bovendien dat zaken die ik heb uitgewerkt als lesmateriaal voor mij heel vanzelfsprekend zijn, maar dat dit blijkbaar niet automatisch voor de leerkracht geldt die deze lessen uitprobeert.

Ik ben eigenlijk wel benieuwd naar de ervaringen van collega’s die de lessen in de zwarte kolom links van dit blog uitproberen in hun klas. Volgens de WordPress-statistieken zijn dit er best veel. Gemiddeld trekt deze site ruim 150 bezoekers per dag. Veel aandacht gaat daarbij uit naar de lessen. Laat u eens weten of het liep zoals u wenste. Tegen welke problemen liep u aan? Wat was onverwacht? Ontstonden er naar aanleiding van mijn woorden en beelden misverstanden of verkeerde aannames? Ik ben benieuwd welke…

Alle reacties zijn welkom…
Wordt dus vervolgd,
Juf Annemarie