Curriculum.nu of curriculum.niet?

Curriculum_PNH1635.jpg

Kijkt u eens naar deze foto. Al deze professionals uit het basisonderwijs en voortgezet onderwijs hebben samen nagedacht over een nieuw curriculum. Ze kwamen vanuit heel Nederland. Uit steden en dorpen, uit dure buurten en achterstandswijken, met allerlei soorten leerlingen van moeilijk lerend tot hoogbegaafd. Ik mocht ertussen staan.
Voor mij was het hele proces vooral een geweldige leerschool. Een betere manier van professionaliseren bestaat bijna niet, dan zo samen te mogen nadenken over je vak. Maar er kwam ook veel kritiek. Hieronder volgt mijn visie op de laatste stand van zaken.

Cijfers en feiten,
Vanaf december 2017 hebben 143 leraren en schoolleiders in negen ontwikkelteams een basis gedefinieerd voor een nieuw curriculum. Daarin werden ze ondersteund door procesbegeleiders van SLO en hebben 84 ontwikkelscholen tussenproducten getoetst aan hun onderwijspraktijk. Daarnaast was er een onafhankelijke wetenschappelijke adviesgroep betrokken bij het proces en kon heel Nederland in diverse feedbackrondes reageren. Per ronde kwamen er 2000 tot 8000 reacties binnen van leerlingen, ouders, vakgroepen, professionals en ieder die zich betrokken voelde en de moeite had genomen zich in de materie te verdiepen. Alle reacties zijn serieus bekeken, getoetst en verwerkt.

En dan volgt stilte en kritiek,
Nadat op 10 oktober 2019 de bouwstenen voor een nieuw curriculum aan de Minister zijn aangeboden volgt vooral stilte vanuit de scholen. Het onderwijs is moe. Het onderwijs is lam. Het heeft te maken gehad met jarenlange verschraling die uitmondde in het huidige schrijnende lerarentekort. Men heeft geen tijd ellenlange epistels te lezen. Wat moet het werkveld hiermee? Het curriculum wordt gezien als een verlengstuk van het onderwijsbeleid uit Den Haag. Daar moet men weinig van hebben. Elke ‘onderwijsvernieuwing’ is immers een verkapte bezuiniging geweest. Elke onderwijswet van de laatste 10 jaar is immers zonder overleg met het veld over de hoofden van de leraren heen gestort.
Ook vanuit wetenschappelijke hoek klinkt kritiek. Waar is de analyse vooraf? Welk onderzoek is gedaan naar de tekortkomingen van het huidige curriculum? Welke rol heeft persoonsvorming? Welke definitie willen we eigenlijk hanteren als we spreken over de invulling van ‘het curriculum’? Wat verstaan we onder denkwijzen en vaardigheden en hoe verhouden die zich tot kennis? Hoe vinden mondiale thema’s als duurzaamheid, technologie en gezondheid een plek in het curriculum? Kan een curriculum wel puur een WAT (kennis) beschrijven en dat scheiden van een HOE (didactiek en pedagogiek)? Men spreekt over een kerncurriculum van 70% en 30% vrijheid voor invulling hiervan voor de scholen. Hoe komt men aan die getallen en kloppen ze wel?

Kritiek of vraagstukken?
Bovenstaande vragen zijn maar een kleine greep uit wat ik langs zie komen in de eerste oriënterende debatten in de Tweede Kamer. Ik ben hier lang niet volledig en kan ze bovendien niet zomaar eventjes te beantwoorden in dit blog. Het zijn zinnige, complexe vraagstukken naar aanleiding van het curriculum, die opnieuw aantonen hoe veelomvattend onderwijs is.
Als ik deze debatten aanhoor komt mijn denken hierover op gang zonder dat ik direct van mezelf een pasklaar antwoord of standpunt verwacht. De voorzitter van deze debatten, mevrouw Tellegen, verwoordde bij aanvang heel mooi dat men zich er ‘terdege van bewust was dat je voorstanders en critici niet strikt kunt scheiden’. Daar ligt voor mij de kern van de zaak en begon mijn trots op onze democratie voorzichtig te gloeien. In deze setting liet men elkaar in ieder geval uitpraten. Hopelijk wordt er ook terdege nagedacht over elkaars ‘vraagstukken’, wat wellicht een betere term is dan ‘kritiek’. Als medeschrijver van de aanzet van dit curriculum zetten vragen van critici mij wel degelijk aan het denken. In mij huist namelijk net zo zeer een criticus als als een voorstander. Ik kan kritisch naar mijn eigen werk kijken en er tegelijkertijd trots op zijn. Want trots ben ik zeker op wat hier ligt. En de criticus in mij is boven alles van zins het product nog beter te maken. Binnen de gelederen van mijn ontwikkelteam is trouwens ook over een aantal van deze vragen keer op keer gestecheld. Hoe vaak hebben wij het niet gehad over het WAT en het HOE en of dat wel te scheiden is? Nadenken over dergelijke complexe zaken kan juist het beste vanuit diverse standpunten en vanuit verschillende expertise.

Samen nadenken
Ja, samen nadenken dus. Dat is wat wij gedaan hebben binnen Curriculum.nu. Dat betekent – zoals Wim van de Hulst dat goed verwoordt tijdens het debat – iets anders dan zwart-wit denken. Op Twitter wordt Curriculum.nu door een aantal collega’s en wetenschappers afgeserveerd. Daar is een mooi recept voor: men neme een onderdeel uit Curriculum.nu (bijvoorbeeld “breuken”), nuanceer het vooral niet, blaas het vervolgens op, maak er een hype van en kraak tot slot het complete werk dat verricht is af. Natuurlijk weet ik dat dit binnen bepaalde kringen op Twitter usance is. Het lijkt me alleen weinig vruchtbaar en bovendien juist niet getuigen van een wetenschappelijke, onderzoekende houding maar vooral van een houding die graag het eigen gelijk streelt ten koste van een ander.

Het kan wel
Dat dit heel anders kan blijkt uit de reactie van Gert Biesta. Omdat hij niet aanwezig kon zijn bij het debat schreef hij een brief aan de Commissie Onderwijs van de Tweede Kamer. De volledige tekst van die brief is gepubliceerd in het blad Didactief. Biesta zegt te hopen dat het iets bijdraagt aan de discussie. Dat doet het zeker. Het is voor mij, en ik denk voor vele leden van mijn ontwikkelteam met mij, in ieder geval heel herkenbaar om te lezen.
Als leerkracht vraag ik me – zoals Biesta beschrijft – steeds af ‘waartoe’ ik dingen doe. Daarmee begint in feite iedere les. En in bredere zin: ‘Wat willen we als samenleving met het onderwijs? Wat willen als school met ons onderwijs?’ Hij is van mening dat het curriculum met die vraag zou moeten beginnen. Biesta stipt meer onderwerpen aan waar ik al langere tijd over nadenk. Mij is als leerkracht ook al vaker opgevallen dat dat ‘veel onderwijsleerprocessen juist niet lineair verlopen’ en we dan ook niet alles in ‘leerlijnen’ kunnen gieten. Er staan een hoop inzichten in de brief van Biesta die ik van harte deel en die mij verder brengen in mijn eigen visie op onderwijs.

Dus Curriculum.nu of curriculum.niet?
Ook deze vraag kan niet zwart-wit beantwoord worden. Biesta schrijft: ‘De voorstellen van curriculum.nu zijn mijns inziens vooral waardevol voor de impuls die ze hebben gegeven aan de discussie over de inhoud van het onderwijs, inclusief de aandacht voor de aansluiting tussen primair en voortgezet onderwijs… Mijns inziens is er eerst een stap ‘terug’ nodig – naar het omkaderende onderwijsconcept – om vervolgens in de ene richting de verdere ontwikkeling van curricula ter hand te kunnen nemen en in de andere richting aan bijstellen en herformuleren van kerndoelen en eindtermen te kunnen werken. Deze stappen moeten helder van elkaar onderscheiden blijven.’ Dit zou inderdaad heel goed een zinnige volgende stap kunnen zijn. Een aanzet is neergelegd, het begin van een taal en een manier van kijken is ontwikkeld. Als we uit ons Twitter-standje stappen kunnen we reflecteren op wat er nu ligt. Het bevat in ieder geval meer dan voldoende voedsel voor de debatten die nu waarempel over onderwijsinhoud gaan.

Men spreekt inmiddels ook steeds vaker over een vervolgcommissie en een ‘permanente’ commissie om het curriculum te ‘onderhouden’. Laten we dan voor 1 ding waken: dat wij als leraren niet opnieuw worden weggezet en opgesloten in het klaslokaal, maar blijvend mogen meedenken. Naast wetenschappers en onderwijskundigen vertegenwoordigen leraren en schoolleiders een belangrijk perspectief. Een blik op de praktijk die tot Curriculum.nu letterlijk over het hoofd werd gezien. Ik pleit voor een stem van de leraar die – in tegenstelling tot Ad Verbrugge – wel weet hoe een basisschool-leerling kan modelleren (zie onderstaande link naar debatfilmpje). Zelfs kleuters kunnen dat onder begeleiding van een goede leerkracht, die de juiste vragen weet te stellen en feedback kan leveren die het leren bevordert. En omgekeerd kan een goed vormgegeven curriculum de leraar hierin ondersteunen.

Voor diegene die belangstelling heeft hier een link naar het debat  en hieronder een filmpje dat het debat inleidt:

Film inleiding debat

Wordt vervolgd,
Juf Annemarie

Mijn wens voor 2020: ruimte voor wat er (nog) niet is…

car-puzzle

Out of the box denken. Kunt u het? Het helpt u om dit raadsel op te lossen. Welk nummer moet er op de parkeerplaats staan onder deze auto? Als ik zelf zo’n plaatje zie denk ik direkt: ‘oh, oh, reeksen!’ om vervolgens onmiddellijk in een kramp te schieten, want reeksen zijn mijn nachtmerrie. Ook na vele keren oefenen bleek dat deze reeksen maar één ding met mij doen en dat is mijn IQ cijfer bij iedere beroepstest met vele punten verlagen. Zoals ik voor taal en ruimtelijk inzicht tienen kan halen zo blijven reeksen bij mij op nul staan. Een platte nul. Ik zie het niet. Wat ik ook oefen.

Mark Mieras
Wij gingen na de Kersvakantie op maandag 6 januari weer aan de slag en startten met een gezamenlijke studiedag. Mark Mieras gaf een lezing en legde ons in een steenkoude gymzaal dit vraagstuk voor. Hij gaf ons mee dat ‘out of the box denken’ zou helpen om dit plaatje op te lossen. Verstijfd wachtte ik in mijn koude stoel op het antwoord. ‘Ohh, je moet het plaatje omkeren,’ dan zie je de makkelijkste reeks ever. Nu weet iedereen vast het antwoord wel: 87

car-puzzle

‘Veel kinderen zien het vaak al binnen een minuut,’ vertelde Mieras erbij. ‘Weinig geruststellend, zo’n versteende juf’, dacht ik over mezelf. Toen zei hij iets wat voor mij een eye opener was: ‘Je kunt niet “out of the box” denken, want je gedachten beseffen niet dat ze in een box zitten.’ Dat was nou precies wat ik had ervaren. Ik KON helemaal niet op commando ‘out of the box’ zitten denken. Want als je niet eens beseft dat je in een box zit – en snapt in welke box je dan zit – dan ga je er ook niet uit. In mijn geval zat ik gevangen in de box ‘Reeksen’. Muurvast opgesloten in mijn meest gehate box waar ik dus helemaal niet in had hoeven zitten.

Creatief proces
Mark Mieras verwoordde hier de kern van menig creatief proces. Want wat moet je doen als je niet je box uit kunt om het antwoord te vinden? Dan moet je geduldig en nieuwsgierig wachten tot het inzicht in jouw box valt. Vertrouw op het toeval. Laat het. Ga wandelen. Durf je over te geven. Grote denkers doen het. Wiskundigen doen het. Wetenschappers idem. Als ze hun complexe probleem vanuit alle perspectieven hebben bekeken, besproken en doorgerekend en ze komen er niet uit, dan laten ze het los, vertrouwend dat het inzicht hen zal vinden. Het lijkt wel mindfulness en dat is het waarschijnlijk ook.

Ruimte
Ruimte. We snakken ernaar. In onze overvolle banen en ons dichtgetimmerd onderwijs. Meer dan ooit schrijven we over creatieve processen en mindful zijn. Vaker dan ooit hebben we het erover. Waarom? Omdat we het minder dan ooit in onze dagelijkse praktijk werkelijk doen. We zijn vervreemd van ruimte, intuïtie, verveling en loze momenten. We hebben alles gevat in leerlijnen, eindtermen, protocollen, doelen en wat al niet meer. We jagen maar door in een veel te strak pak. En dat doen we onze kinderen ook aan. We leren hen niet meer vertrouwen te hebben en even los te laten al roepen we van wel. Mark Mieras reikte me weer een stukje extra inzicht aan.

MAKEN
Het is een deel van de complexe puzel over waarom ik zo dol ben op MAKEN in het onderwijs. Zelf ben ik een MAKER in hart en nieren en ik snap steeds meer waarom. MAKEN schept die ruimte. Het laat je doen wat je (nog) niet begrijpt. MAKEN is de wereld tussen weten en begrijpen. En ja, ook het MAKEN komt steeds minder aan bod op de basisschool al roepen we er wel veel over.

Hiermee wil ik vooral niet zeggen dat we geen kennis moeten onderwijzen. Ik wil ermee aangeven dat er ruimte moet zijn om die kennis een plek te geven. Een eigen plek die er bij ieder individu anders uitziet. En daarbij speelt falen en zelfs onkunde een rol. Waar men faalt of waar onmacht ons blokkeert kan een omweg je leiden naar een heel andere oogst. We moeten het aandurven die omweg te maken. 

Monet
Een intrigerend voorbeeld van stug door blijven werken met een enorme onmacht is wel de grote MAKER Monet. Hij heeft het gedurfd omdat hij niet anders kon.
Wat is er erger voor een schilder dan langzaam blind worden? Het overkwam hem. Hij bleef schilderen, met ander kleurgebruik, met meer abstractie, op grotere doeken. Zijn toenemende slechtziendheid bracht hem een andere aanpak en ander werk. Iets wat hij ziende nooit zou hebben gemaakt. Op latere leeftijd kreeg hij door een operatie zijn gezichtsvermogen gedeeltelijk weer terug. Ik vraag me af hoe hij zelf terugkeek op zijn werk uit zijn ‘blinde periode’. Tegenwoordig beschouwen we het als revolutionair voor die tijd. Dat wil niet zeggen dat het makkelijk was. Uiteraard wordt je er niet blij van als je blind wordt en in vele momenten van wanhoop heeft Monet zijn doeken willen vernietigen en dat een aantal keren ook gedaan. Een weg zoeken om je onmacht heen is verre van makkelijk. In april 1914 kreeg Monet door de operatie wel weer zelfvertrouwen en begon hij met een grootschalig project: Les Grandes Decorations. Enorme panelen geïnspireerd op zijn lelievijver waar hij tot zijn dood aan heeft gewerkt. Tot 2 februari is Monet nog te zien in het Kunstmuseum in Den Haag. Een aanrader. Ik heb ervan genoten! Hieronder wat details van twee van zijn waterlelie-doeken.

IMG_9149.jpg

IMG_9150Toon Tellegen
Voor 2020 wens ik alle lezers van dit blog daarom ruimte. Ruimte voor wat er niet is maar kan komen, ruimte voor toeval en het onverwachte dus vooral ook ruimte voor jezelf. Te vaak gedragen wij ons als de mus uit onderstaand prachtig verhaaltje van
Toon Tellegen. Laten wij als mus nu eens gaan genieten van zon en maan…
IMG_9389.jpg
IMG_9390

Dit waren twee pagina’s uit dit mooie verhalenboekje ‘Middenin de nacht’:
IMG_9391
Wordt vervolg,
Juf Annemarie

Zelfportretten in de klas: er is moed voor nodig…

Het gebeurt me de laatste tijd vaker als leerkracht: ik zoek naar iets tijdens mijn lessen en stuit op iets heel anders. Klinkt dat vaag? Misschien wel. Het is in ieder geval geheimzinnig, ook voor mijzelf. In mijn vorige blog schreef ik over mijn zoektocht naar orde en stilte. Ik vond zelfreflectie en eigenaarschap. Dit keer wilde ik gewoon makkelijke schilderopdrachten geven en ik kwam erachter dat ze moeilijk waren.

Workshops
Dit jaar is onze basisschool gestart met workshops. In klassendoorbrekende groepen – in mijn geval een combi van groep 7 en 8 – geven we workshops. De zaakvakken worden hierbij benaderd via meer praktische onderzoeken en opdrachten en de kunstvakken komen aan bod. Ik wilde iets doen met een combinatie van fotografie en tekenen/schilderen en koos als onderwerp het zelfportret. Mijn ervaring de afgelopen jaren tijdens de technieklessen leerde mij dat de leerlingen over het algemeen moeite hebben met verbeelden en observeren. Ze zijn het niet gewend. Daarom koos ik voor opdrachten die bijna een invuloefening zijn. Kleurplaten en overtrekplaten als het ware van hun eigen portretten. In het verleden had ik er al muren mee volgehangen. ‘Eitje’… dacht ik. Maar oh, wat stuitten we op barrières…

De lessen
Zo was er een les waarin ze hun eigen portret als harde zwart-wit foto mochten inkleuren. Er kan niets fout gaan. Over de lijntjes kleuren is hierbij juist prachtig. Als inleiding liet ik zien dat Andy Warhol met zijn zeefdrukken van o.a. Marilyn Monroe hierin pionierde.

Ik vertel de leerlingen iets over zijn sterrenstatus en PopArt in het algemeen. In het verleden had ik met deze opdracht enthousiasme en verwondering gewekt. Hele muren had ik met de resultaten volgehangen (zie hieronder een foto van 25-5-2013).

Nu stuitte ik op angst en weerstand. ‘Ik ben lelijk!’ ‘Ik weet niks!’ ‘Ik kan hier helemaal niets mee!’ Portretten die ik op mijn vrije zondag had voorbewerk in Photoshop verdwenen onaangeraakt in de prullenbak. Er ontstond totaal geen verwondering over hun portretten die, puur en alleen door gebruik van zwart op wit, een heel karakter konden laten zien. Veel leerlingen kwamen daar niet eens aan toe. Want ze keken niet. Ze durfden niet te kijken.

Dus
Dus wat deed ik? Ik vond een tussenoplossing. Ze mochten opnieuw op de foto en een pose aannemen waarbij ze hun gezicht gedeeltelijk bedekten. Dat was uiteraard niet de oorspronkelijke opdracht, maar wel een stap om ze aan het werk te krijgen. Dat lukte. Ook bij de vervolgopdracht – het maken van reverse paintings, waarbij ze op een transparant blad met watervaste stift hun eigen portret overtrokken en daarna de achtergrond schilderden – gingen ze in ieder geval aan het werk.

Verschillen
Niet iedere leerling ondervond zoveel weerstand bij deze opdrachten. Er waren er ook die hier prima mee uit de voeten konden en zich totaal niet stoorden aan welke flapoor of beugel dan ook.

‘Wat is er anders dan vroeger? En vanwaar deze enorme verschillen?’ vroeg ik mezelf af. Diep van binnen wist ik het antwoord wel, maar ik kon het nog niet goed formuleren. Ik was nog teveel bezig met de weerstand van de leerlingen.

Churchill
Tot ik gisteren naar een aflevering van een ‘The Crown’ keek. Een geweldige serie met prachtige dialogen. In deze aflevering werd Churchill geportretteerd door Graham Sutherland als geschenk van het Parlement voor zijn 80ste verjaardag in 1954. Churchill haatte het schilderij direct en noemde het portret malignant … filthy’. Zijn vrouw Clementine sprak erover als ‘really quite alarmingly like him’. Het portret werd kort voor Churchill’s overlijden in opdracht van zijn vrouw in 1965 in het geheim vernietigd.

Waarom?
Grappig om te constateren is, dat de weerzin tegen een (zelf)portret dus in alle rangen, standen, tijden en leeftijden voorkomt. Was het portret werkelijk zo ‘disgusting’, of speelt hier iets anders? En waren de afbeeldingen van de leerlingen werkelijk zo weerzinwekkend dat de prullenbak de enige plek was die er recht aan deed? De serie geeft een prachtige inkijk in een verklaring. Tijdens het poseren voor de schetsen zegt Sutherland tegen Churchill: ‘I never let accuracy come in the way of truth’ (Ik laat de precieze weergave nooit de waarheid in de weg staan). Dit was zijn antwoord op Churchill’s vraag of Sutherland wel in staat was hem ‘precies’ te portretteren. Sutherland antwoordt dus dat hij ‘de waarheid’ zoekt. Kunstenaars zoeken altijd naar ‘de waarheid’. Maar zelfs als je er niet naar zoekt durf ik te beweren dat bij elke tekening, hoe hulpeloos ook, een waarheid zich vanzelf openbaart. En soms willen we die waarheid niet zien. Churchill wilde waarschijnlijk geen 80-jarige man zien maar slechts een krachtig leider. Met het vernietigen van het portret komen we alleen nog niet los van de waarheid.

Het overleden kind
Een andere dialoog uit The Crown tussen Churchill en Sutherland gaat over hun schilderijen. Churchill schildert ook en heeft Sutherland’s werk bestudeerd. Sutherland heeft op zijn beurt het werk van Churchill bekeken. Een intrigerend gesprek ontvouwt zich over de waarheid onder de afbeelding. Churchill vraagt aan Sutherland welke van zijn schilderijen hij heeft bekeken en wat hij ervan vond. Sutherland antwoordt dat hij Churchill’s schilderijen van de vijver in zijn tuin interessant vond:

(Churchill & Sutherland)

The pond? Why the pond? It’s just a pond.

It’s very much more than that.

As borne out by the fact that you’ve returned to it again and again.

More than 20 times.

Well, yes, because it’s such a technical challenge.

– It eludes me.

– Well, perhaps you elude yourself, sir.

That’s why it’s more revealing than a self-portrait.

Oh, that’s nonsense.

It’s the water, the play of light.

The trickery.

The fish, down below.

I think all our work is unintentionally revealing and I find it especially so with your pond.

Beneath the tranquility and the elegance and the light playing on the surface, I saw honesty and pain, terrible pain.

The framing itself, indicated to me that you wanted us to see something beneath all the muted colors, deep down in the water.

Terrible despair.

Hiding like a Leviathan.

Like a sea monster.

Sutherland bespeurt dus een zeemonster van pijn diep in de vijver van Churchill. Wat het voor monster is komt naar boven als Churchill ‘terugslaat’ en opmerkt wat hij ‘Malevolent’ (kwaadaardig) vindt aan een werk van Sutherland:

It’s about one of your paintings.

The one you call “Pastoral.

” With all that gnarled and twisted wood.

Those great ugly dabs of black.

I found something malevolent in it.

Where did that come from? Well, that’s very perceptive.

That was a very dark time.

My My son, John, passed away, aged two months.

Oh, my.

I am sorry.

Yes.

Thank you.

– You have five, yes? – Four.

Marigold was the fifth.

She left us at age two years, nine months.

Septicemia (= bloedvergiftiging).

I’m so sorry.

I had no idea.

We settled on the name Marigold, on account of her wonderful golden curls.

The most extraordinary color.

Regretfully, but though perhaps mercifully, I was not present when she died.

When I came home, Clemmie (= Churchill’s vrouw) roared like a wounded animal.

We bought Chartwell (= Churchill’s huis en landgoed) a year after Marigold died.

That was when I put in the the pond.

Beiden hebben ze een kind verloren. En het verdriet over het verloren kind komt bij Churchill boven in zijn vele schilderijen van de vijver. Sutherland heeft er de wanhoop in gelezen die Churchill van zichzelf niet eens vermoedde. Hij realiseert het zich pas in zijn gesprek met Sutherland.

Zelfportretten in de klas
Dus voor zelfportretten in de klas is moed nodig. Moed om de waarheid onder ogen te zien. Welke waarheid dat is weet je als leerkracht nooit helemaal. Het kan heel diep zitten, zoals bij Churchill’s vijvers. Is het nodig naar die waarheid op zoek te blijven gaan? Ik denk het wel. Meer dan ooit waarschijnlijk omdat het ook meer dan ooit stuit op weerstand. Hieronder dus een aantal portretten uit de workshops. U mag zelf bepalen welke waarheid u er in ziet…

Deze diashow vereist JavaScript.

Wordt vervolgd,
Juf Annemarie

 

 

 

 

Op zoek naar de stilte in groep 7 …

Ik wilde alleen maar dat het stil was. Dat ze met hun eindeloze gebabbel niet keer op keer mijn instructie verstoorden. Ik wilde ook alleen maar dat ze snapten wat het gevolg was van dat eeuwige gekakel. Dat ze zo niet oppikten wat ze moesten leren. Dat ze zo niet konden denken. Dat anderen die het wel wilden snappen er zo niet aan toe kwamen. Dat hun kletsen leidde tot herrie; herrie tot irritatie; irritatie tot conflict en conflict tot vechten. De dag zonder kleerscheuren doorkomen in deze groep 7 met eenendertig leerlingen was een hele toer. Daarom begon ik met ze te laten schrijven. In stilte. 

Stilte is zeldzaam in deze tijd. Overal dringt de buitenwereld zich op. Stilte gaat niet alleen over geluid. Ook vermaak en afleiding zijn overvloedig aanwezig en zoveel makkelijker dan focus en concentratie. Je merkt het in de klas. De aandachtsspanne is kort, evenals veel lontjes.

Stilte is een voorwaarde om na te kunnen denken. Er is zoveel om over na te denken. Voor alle leren is denken nodig. En wat is er heerlijker dan op pad te gaan met je eigen gedachten? Maar toch, als je een leerkracht vraagt hoe hij/zij zijn leerlingen stimuleert om na te denken, krijg je vaak glazige blikken. Leren wordt op de meeste basisscholen vooral gezien als reproduceren van kennis. Over ‘denken’ spreekt men nauwelijks. ‘Creativiteit’ staat wel vaak als belangrijk punt in de schoolgids, maar daarmee bedoelt men vaak ‘knutselen’, een vreselijk woord. En dan heb ik het nog niet eens over dat kwetsbare knooppunt van aandacht, toeval en tijd: inspiratie. Maar goed. Je moet ergens beginnen. En ik begon bij stilte.

Voor de eerste les geef ik ze allemaal een schrijfschrift en zeg tegen ze: ‘woorden hebben macht. Soms kunnen verhalen je uit de meest hopeloze situatie redden.’ Ik vertel over de Koerdische vluchteling, dichter en journalist – Behrouz Boochani – die op het eiland Manus illegaal gevangen werd gezet. Ik beschrijf hoe zijn woorden op een geheime telefoon stiekem via tekstberichten de vrijheid invlogen en uiteindelijk een boek werden, bekroond met vele belangrijke prijzen. ‘Dat lukt je niet zomaar,’ vertel ik ze. ‘Deze man heeft geoefend voor hij goed kon schrijven en vandaag gaan jullie je eerste schrijfoefening doen.’

We analyseren wat Boochani allemaal is kwijtgeraakt. Zo komen de leerlingen vooral op ‘vrijheid’. Ze proberen in eigen woorden te vertellen waarom ze dit zo’n belangrijk gemis vinden. ‘Iedereen heeft wel herinneringen aan iets wat we zijn verloren,’ ga ik verder. ‘Dat kan zoiets kleins zijn als een haarknipje maar ook een geliefd iemand of een belangrijke vriendschap.’ Ze moeten dus gaan schrijven over iets dat ze zijn kwijtgeraakt. ‘Schrijven is van jezelf,’ verklaar ik plechtig. ‘Je doet het in stilte. je moet je eigen gedachten kunnen horen.’ 

‘Nee,’ schudt mijn hoofd tegen de leerling die direct al naar mijn tafel wil komen. ‘Denk eerst rustig na, dan komt het vanzelf,’ zeg ik tegen een ander die niet gelijk weet wat hij moest schrijven. Ik werp ze terug op zichzelf. En voor het eerst in dit schooljaar is het stil. Echt stil. De rust overvalt me. Een zalig kwartier lang. Daarna zijn ze enthousiast en trots. ‘Wie durft er zijn werk voor te lezen?’ vraag ik. Bijna alle vingers gaan omhoog.

De oogst van de eerste opdracht heeft me overweldigd. De leerlingen kunnen verlies raker beschrijven dan ik had verwacht. Er komt van alles langs: Een geliefde oma die eindigt aan een zuurstofapparaat; achtergelaten scholen, vrienden en buurten na een verhuizing; broertjes en zusjes die wel zijn geboren maar slechts kort het levenslicht zagen; een moeder die overleed toen de leerling een peuter was en zo altijd een geliefde onbekende blijft… Het is veel. Heel veel. Je realiseer je dan wat je allemaal in de klas hebt. Eenendertig levens. 

Ook in de daaropvolgende opdrachten gaan ze hard aan het werk. Ze kunnen hun herinneringen en gedachten vaak goed onder woorden brengen. Niet iedere klas krijgt dit voor elkaar en niet elke groep heeft zo’n open sfeer dat iedereen zijn werk graag wil voorlezen. Ik benoem hun talenten, benadruk mooie stukjes tekst en ondersteun ze met technieken. Wat kun je allemaal vertellen over een personage? Hoe schrijf je dialogen? Hoe gebruik je je zintuigen in een verhaal? Wat wil je zeggen met je einde? 

Ik draag mooie voorbeelden aan en krijg stukjes uit hun belevingswereld terug. Ik lees gedichtjes van Joke van Leeuwen voor. Eén over schrammen, blaren en builen:

‘Hoe komt daar die blaar? Hoe komt daar die blaar?
Dat komt: ik heb prachtige schoenen. Vandaar.

Ik vraag naar herinneringen bij hun littekens, vlekjes en spotjes. Daardoor kom ik te weten dat H. nog geopereerd moet worden aan zijn arm waar de pinnen nog uit moeten. Daardoor komt N. de volgende dag bij me met een foto van haar vader op haar mobiel.
‘Wilt u het echt nog steeds zien?’

‘Ja, natuurlijk.’ Ik zie een man met een ontblote buik en daarop een enorme jaap. ‘Zo dat is een groot litteken. Waaraan is je vader geopereerd?’

‘Een gezwel boven zijn nieren.’

‘Zo dan! Wanneer was dat?’

‘Vorig jaar juf.’

‘Dan hebben jullie zeker een heftig jaar gehad. Hoe is het nu?’

‘Ja juf. Zwaar juf. Nu wel iets beter.’

Bij de opdracht te beschrijven waar ze bang voor zijn – en uitgenodigd worden met ideeën te komen om hun angst te overwinnen – geef ik het voorbeeld van columnist en auteur James Worthy (39). Hij geeft zijn angsten hondennamen. Zijn angst voor de dood heet Benji, zijn vliegangst heet Jarno en zijn angst voor roltrappen heeft hij Arthur genoemd. De leerlingen waarderen zijn creativiteit en komen ook zelf met interessante ervaringen en gedachten. Ze beschrijven hun angsten voor jeugdzorg en vaders met messen tot en met clowns en vertellen over hun oplossingen: 

‘Een echte clown in het circus interviewen.’

‘Een bescherm-knuffel-eenhoorn.’ 

‘Je enge dromen opschrijven en aan je moeder voorlezen.’ 

Ondertussen vult hun taalrugzak zich met schatten. Bovendien leren ze luisteren naar elkaar, wat ook nog wel een dingetje is in deze groep. ‘Een echte schrijver kan goed luisteren en observeren,’ houdt ik ze voor. Want ze willen graag goed kunnen schrijven. Het schrijven heeft status gekregen in de groep. Ik heb voorgesteld hun beste werk te bundelen en een gezamenlijk boek uit te geven bij ‘Brave New Books’. Dat idee werd met gejuich ontvangen. Ze dromen alvast van gigantische opbrengsten. Mijn opmerking dat ze zich niet rijk moeten rekenen en dat waarschijnlijk alleen vrienden en familie zo’n boek zullen aanschaffen, mag de pret niet drukken. De één wil gezamenlijk gaan eten bij MacDonalds en de ander denkt aan een goed doel. Ik ben blij met de rust die langzamerhand steeds meer ruimte krijgt in de klas. 

Al moet ik nog steeds alle zeilen bijzetten. Lesgeven aan deze groep blijft een enorme kluif. En natuurlijk krijg ik op bepaalde momenten nog altijd een punthoofd van ze. Maar als ik dat dan roep zeggen ze: 

‘Dat is een metafoor juf,’ en dan zeg ik:

‘Ja, heel goed! Bedenken jullie eens een betere metafoor voor mijn ontplofte hoofd. Als jullie nu stil aan het werk gaan wil ik er straks wel een paar voorlezen.’ 

Wordt vervolgd,
Juf Annemarie

 

De magie van kunst in de school…

Deze week kwam De Dutch Don’t Dance Division bij ons op school met de voorstelling #Pest. Nou heb ik vraagtekens bij het onderwerp. Niet omdat ik het niet belangrijk vind. Ik ben ervaringsdeskundige. Het gevoel dat je nooit ergens bij zult horen blijft in je vezels zitten. Ik ben er alert op in mijn klas. Ook herken ik het gepeste kind als geen ander in prachtige moeders en stoere vaders met tattoos op hun armen. Maar moet je het er steeds over hebben? Het doet me een beetje denken aan het onderwerp ‘zelfmoord’. Daar hebben we het ook niet te veel over omdat anders de volgende dag zich nog meer mensen voor de trein gooien. Vermindert expliciete aandacht voor een onderwerp het probleem? Die vraag is complex. Pesten is complex. Ik ben er nog niet uit of al die aandacht de situatie verbetert.

Maar goed. Ik moest voor de school de voorstellingen boeken. Dat was een heel gepuzzel. We wilden reiskosten uitsparen. De voorstellingen moesten dus in de school plaatsvinden. Dat schrapte al flink wat opties. Dan gaan ze niet optreden voor twintig leerlingen. Nog meer puzzelen. Welke klassen kon ik combineren met welke voorstellingen. Er bleven er een paar over. Ik hou van dans. Vooruit dan maar met dat onderwerp over pesten…

Voor het zover is
En dan komen de vragenlijsjes: Kunnen jullie dit even invullen? Welke ruimte hebben jullie en welke muziekinstallatie? En kan er een laptop aan? Hebben jullie iemand voor het licht? Kan er na die tijd voor de workshops een lokaal leeg? Jajaja… en of we ook even telefonisch contact kunnen hebben. Kan ook, tuurlijk, ik heb als leerkracht toch niets te doen…

Ze kwamen vroeg in de ochtend voor de lessen en in de verschrikkelijkste hoosbui van deze herfst tot nu toe.
‘Moeten jullie veel uitladen?’
‘Ja.’ Glimlach. ‘Heel veel.’
Zonder morren sjouwden ze hun toneelspullen door de regen de school in.
‘Waar is de koffie?’ Ik wijs het ze. ‘Top!’
‘We gaan opbouwen. Om tien uur kunnen jullie komen met je klas.’

En dan begint het…
Het publiek bestaat uit groep 7 van mij en groep 8 van mijn collega. Ik moet ze goed in de gaten houden want mijn leerlingen kletsen altijd onophoudelijk. Ze kregen van mij instructies mee over het gedrag dat ik van ze verwacht. Dat is nodig want ik heb al diverse keren ervaren hoe deze groep een gastdocent kan opvreten. Ik hoop dat deze voorstelling goed gaat verlopen.

De muziek begint. Een danser in traditioneel kostuum en maillots laat klassieke passen zien. Sprongen en pirouettes. Prachtig. Het maakt indruk op de leerlingen al is het vreemd, zo’n jongen in een maillot. Dat blijkt ook de bedoeling. Vanachter de schermen komen stoere jongens en meisjes op in straatkleding. Ping – Pong, klink de muziek en bij elke klank raken ze hem aan, lachen ze hem uit en vernederen ze hem meer. Het is een sterk beeld. De balletjongen verkruimelt. Tot hij wijst op een kind in het midden van de voorste rij. Dat leidt de aandacht af. De pesters kijken nu naar haar… Gepeste is pester geworden.

IJzersterke beelden vullen daarna het toneel. Niets wordt uit de weg gegaan. En niets is wat het lijkt. Een straatjongen verruilt zijn gympen voor rode plateau-hakken. Een meisje laat haar haren zwieren. Uitdagend en agressief. ‘Ik kan dit doen. Jij niet…’ Lijkt ze te willen zeggen tegen een meisje met een hoofddoek. Maar later volgt verzoening, vriendschap en meer…

Emotie
De combinatie van dans en muziek opent herinneringen en emoties. Ik ben geraakt en krijg een brok in mijn keel. Ik slik hem weg. Tranen in het bijzijn van je klas is geen goed idee. Later hoor ik tijdens de lunch in de lerarenkamer dat mijn collega net zo geraakt was als ik. Zij vertelt dat ze wel heeft gehuild en een aantal leerlingen van haar ook.

Aan het eind van de voorstelling mogen de leerlingen vragen stellen aan de dansers. Ook dat is indrukwekkend. Jonge mensen van 20 – 21 jaar staan voor ons. Trots en kaarsrecht, zoals dansers van nature staan. Ze komen van over de hele wereld om hier te dansen. De meesten stellen zich voor in het Engels, er wordt vertaald, een paar van onze leerlingen halen hun beste Engels uit de kast, een Franse danser antwoordt in zangerig Nederlands. Daarna volgen er workshops waarin de leerlingen zelf al bewegend zaken als ‘vertrouwen’ kunnen ervaren. De dansers gaan aan de slag met mijn groep en dat is een krachtsinspanning want de aandachtspanne van de leerlingen is kort. Maar ze doen het gewoon en wat ze doen komt binnen.

Na de voorstelling
Later komen kinderen naar mij toe. Ze zitten vol van wat ze hebben gezien. Een meisje zegt: ‘Ik mag van mijn moeder niet lesbisch zijn maar ik kan me wel voorstellen dat iemand anders het wel is.’ Het zet ze aan het denken. Het zet mij aan het denken. Er is een wind de school binnengewaaid. Een wind die meer lef met zich meebracht dan welk pestprogramma of pestprotocol dan ook. Zaken die je normaal niet gauw bespreekt zijn gezien en gevoeld. Op deze manier is het inderdaad geen slecht idee om pesten aan de orde te stellen. Het is wat kunst kan doen. Het gaat over je plaatsbepaling, je identiteit. Niet alleen in lesjes en woorden, maar ook tussen de woorden, achter de woorden… Dat, diep in jezelf wat niet te vangen is in woorden, aanraken. Daar komen we niet vaak in ons onderwijs. Wat mij betreft veel te weinig…

Dankjewel Dutch Don’t Dance Division. Jullie mogen vaker komen!

Wordt vervolgd,
Juf Annemarie

 

Het heen en weer van het onderwijs…

Na de soapserie over staken – oh nee toch maar niet, leerkrachten boos, dan toch maar wel – liep een collega van mij hoofdschuddend door de gangen. ‘Het is precies hoe het altijd gaat in het onderwijs,’ zei ze. ‘Altijd heen en weer en je krijgt er ook het heen en weer van.’ We lachten erom, want wat kan je anders.

Massaal is er gestaakt. En dat gaat niet alleen over salaris. De reactie van mijn collega geeft  precies aan hoe het al tijden gaat. Ik ben zelf in 2002 begonnen als zij-instromer in het basisonderwijs en heb het sindsdien ieder jaar zien verslechteren. Het onderwijs is een complexe dans met spagaten die leerkrachten opbreken. Je hebt die passie voor lesgeven, maar niet meer de tijd en de ruimte om het goed te doen. Je schiet eigenlijk voortdurend tekort ondanks al je inspanningen.

Leraren hebben in Nederland het meeste last van werkgerelateerde burn-out klachten: 21,3 procent (CBS/TNO, 2014). Het gemiddelde van alle sectoren in Nederland ligt op 14,4 procent. De oorzaak zit in een hoop onverenigbare tegenstellingen.

Ik kreeg er zin in er eens een aantal op een rijtje te zetten:

Meer geld, oh nee toch niet…

In de media lijkt het altijd alsof we er steeds meer geld bij krijgen. Maar als diezelfde beloftes worden verbroken hoort niemand ervan. Dat begon al toen het tweede Paarse kabinet miljarden voor onderwijs toezegde, wat in 2002 onder Balkenende toch niet mogelijk bleek. Minister Maria Van der Hoeven bezuinigde liefst 650 miljoen euro op de arbeidsvoorwaarden van leraren. Eindelijk zou er onder Ronald Plasterk iets veranderen en zegde hij in 2008 een miljard toe voor het lerarentekort. Maar de economische crisis brak uit en het geld kwam niet. In 2010 voerde het kabinet de ‘nullijn’ in, waardoor salarissen van leerkrachten nog verder gingen achterlopen bij gelijk geschoolden in andere beroepen.

We willen leraren beter opleiden, maar we kunnen er niets mee…

Rinnooy Kan schreef in 2007 al: ‘De tijd dringt’. Niet alleen moesten leraren beter betaald worden, ook de kwaliteit van de leraar mocht omhoog. De academische PABO kwam. Op de werkvloer is scholing niet het probleem. We hebben reken- en taalspecialisten, gedragsspecialisten, academisch geschoolde leerkrachten, onderwijskundigen… Alleen mogen ze bijna nooit doen waar ze goed in zijn. Na hun opleiding is er geen tijd voor hun talenten. Dat wat hen energie geeft moet snel weer in de kast want er moeten uren gedraaid worden. Er is geen tijd om na te denken over wat je eigenlijk aan het doen bent, als je het maar doet. En als jij het niet doet mag de onderwijsassistent het doen, de stagiair of zelfs de ouder. Het maakt op dit moment niet uit welk wezen op twee benen er momenteel voor de klas staat, als er maar iemand staat. Onderwijs wordt ophokken.

Niet faciliteren, wel afrekenen…

Schooldirecteur Eric van ‘t Zelfde verwoordde het mooi in een interview bij Pow op 6 november: ‘Het onderwijs is een vuilnisbak geworden’. Hij heeft gelijk. We zitten in te krappe lokalen zonder airco. In de zomer staat de leraar met klotsende oksels in de puberdampen.
Het schoolbord is vervangen door een smartboard. Alles is afhankelijk van ICT, die goed moet worden onderhouden. Ieder middelgroot bedrijf – wat een school ook is – heeft een ICT-medewerker in huis. Maar in het basisonderwijs is dat meestal een extra taak voor een leerkracht.
We willen leuke projecten. Tijd voor voorbereiding is er niet. Geld voor materialen evenmin. Dat wordt weer in de weekenden boodschappen doen bij de Action. Niet faciliteren dus. Niet in uren en niet in materiaal en behuizing. Wel afrekenen. Vooral in Citotoetsen. En als de inspectie de scholen niet afrekent doen ze het zelf wel. Scholen en besturen zijn elkaars concurrenten. Wie heeft er in de buurt de hoogste schooladviezen?

We willen goed onderwijs voor iedereen, of toch niet…

We moeten ieder kind onderwijs op maat bedienen, maar we hebben ‘passend onderwijs’. Een wet waar ik destijds op 6 maart 2012 met ruim 50.000 andere leraren tegen gedemonstreerd heb. We pasten niet eens met zijn allen in de Arena. Veel leraren stonden buiten. En allemaal wisten we: ‘Dit gaat helemaal niet passen. Dit wordt nog meer dossiervorming, nog meer vertraging en nog meer specialisten in de school die leerkrachten gaan vertellen hoe ze de zorg voor dat ene kind moeten combineren met die andere 30 leerlingen, waarvan een kwart ook een dik zorgdossier heeft.’ We riepen het. We voorspelden het. En het kwam uit. Meer dan ooit zien we een onvermogen van systemen om in gecompliceerde gevallen met creatieve maatwerkoplossingen te komen. Dikke dossiers zijn vooral veel werk en verschaffen maar zelden een passende plek voor een leerling.
Natuurlijk kunnen bemiddelde ouders naar een dure school. Voor een mooie bijdrage kan je kind les krijgen in een klas van 20 leerlingen met twee leerkrachten. Ja hoor, die scholen bestaan. Als je er maar voor betaalt. En natuurlijk kan je kind op bijles voor een leuke uurprijs. Ongelijkheid is nu. En die ongelijkheid groeit.

Goed beleid heeft goede mensen nodig, maar die verdwijnen juist…

Leraren vertrekken uit de grote steden, vertrekken van scholen met een lastige populatie of verlaten het onderwijs helemaal. Lerares op het speciaal onderwijs – Bianca van der Meer – deed een boekje open over hoe zwaar onderwijs kan zijn. Zulke scholen zullen het meeste moeite hebben met het verkrijgen van goed personeel. En dan wordt dat zware vak nog zwaarder en zullen scholen sluiten. Het onderwijsinfarct zal plaatsvinden op plekken waar mensen het meest kwetsbaar zijn.

En toch…

Het vak zelf is mooi. Een school is een gemeenschap, een klein dorp. Je betekent echt iets als leerkracht. Je hebt leerlingen niet alleen leren rekenen maar ze ook inzichten verschaft. Je hebt ze gesteund en met ze meegeleefd. En je krijgt zoveel terug. Je komt oud-leerlingen tegen die tegen je zeggen: ‘We deden zoveel leuke dingen!’ of ‘door u ben ik naar de TU gegaan’. Of ze vragen verbaasd: ‘U heeft echt iets van mij geleerd? Van mij? En ik was zo moeilijk!’ Ja, de lastigste kinderen zijn vaak je grootste leermeesters.

Zelf heb ik weinig geloof meer in de politiek. Al blijf ik wel demonstreren zodat het onderwijs een topprioriteit blijft naast al die andere topprioriteiten. Als dat extra geld oplevert zal het ook op de juiste manier moeten worden ingezet. Er hangt veel mist rond onderwijsgelden. Waar komt dat geld nu echt terecht? En waar blijft die duidelijke visie om het onderwijs structureel te ondersteunen?

We kunnen voorlopig niet anders dan rekenen op onszelf. Doen waar we energie van krijgen. ‘Nee’ zeggen – echt ‘nee’ zeggen – tegen wat we onzin vinden. Buiten de lijntjes durven kleuren. ‘Flip the system,‘ zoals Jelmer Evers en René Kneyber het zo treffend beschrijven. Zoals Sjef Drummen  heeft gedurfd en gedaan met Agora en beschrijft in zijn prachtige boek ‘Catharsia’ (een pleidooi tegen mayonaise in de hersenen en ter voorkoming van educatieve alzheimer). En we moeten elkaar vinden in eigen samenwerkingsverbanden zoals ik deze week zo mooi zag toen ik te gast was bij Technolab in leiden.

Wordt vervolgd,
Juf Annemarie

Nieuw Curriculum naar Minister. En nu…?

fb4da123-e30e-4b58-a389-3df89ac8f185Gisteren zijn de bouwstenen voor een nieuw curriculum aangeboden aan Minister Slob van Onderwijs in het Montaigne College in Den Haag. Er was een markt waar de ontwikkelteams en ontwikkelscholen hun eindproducten toonden aan een bonte stoet aanwezigen die allen belang hebben bij goed onderwijs. De Minister nam de bouwstenen in ontvangst die de basis kunnen worden voor nieuwe kerndoelen en eindtermen en zal ze voorleggen aan de Tweede Kamer.

Reacties
Het is de eerste keer dat leraren en schoolleiders hebben meegedacht en gezamenlijk met SLO (Stichting Leerplan Ontwikkeling) hun curriculum hebben vormgegeven. Dit project van ruim een jaar werd gisteren afgesloten. Natuurlijk was er lof, blijdschap en trots, uiteraard was er ook tegenstand, hoon en verzet, maar er is vooral stilte… Het innoveren van ons curriculum leeft nauwelijks in het onderwijsveld. Zou dat komen door de hoge werkdruk? Is het misschien het schrijnend lerarentekort? Komt het omdat bijna iedere onderwijsinnovatie tevens een bezuiniging was?

Gesprek
Misschien is het stil omdat de collega’s in de waan van de dag geen tijd meer vinden voor een gesprek. Zelf mis ik op school ook een gezamenlijk nadenken over onderwijsinhoud. Het zou deel moeten uitmaken van je werk: nadenken over wat je eigenlijk aan het doen bent. Ons vak is zo uitgehold dat leraren geen tijd krijgen om te reflecteren. Wij zijn uitvoerders geworden die zijn opgesloten in ons klaslokaal. Om een goed beeld te vormen over je vak dien je juist vaak buiten de grenzen van dat lokaal te kunnen treden. Zo zie je op afstand hoe het onderwijs op jouw school zich verhoudt tot wat er elders in de wereld gebeurd. Marco Snoek verwoordt heel mooi in zijn artikel in Didactief dat veel leraren meer willen en kunnen zijn dan de uitvoerders van een lesmethode.

Ik heb zelf mogen deelnemen aan het ontwikkelteam Mens & Natuur. Daar heb ik bevlogen en zeer kundige collega’s leren kennen. Naast ons werk als docent hebben wij met passie en plezier ons vakgebied beschreven. We begonnen als individuen aan een schijnbaar onmogelijke klus. Inmiddels zijn we een grote familie met een gemeenschappelijke taal. En bij ons is het nooit stil.

Daarom was voor mij deelname aan Curriculum.nu een mooi cadeau. Een cadeau dat eigenlijk geen cadeau mag zijn maar standaard een plek zou moeten hebben in alle lagen waar gewerkt wordt aan onderwijs: op landelijk niveau, op bestuursniveau, op schoolniveau binnen teams en op de werkvloer met leerlingen en ouders.

Op plekken waar dit bouwen aan onderwijsinhoud structureel plaatsvindt is nauwelijks sprake van een lerarentekort. Leerkrachten zoals ik willen daar graag werken. Die plekken zijn schaars in Nederland. De leraren in mijn ontwikkelteam voelen dat allemaal, net als ik, als een te krap zittend pak. Ze willen zich ontwikkelen. Ze willen wat ze hebben geleerd toepassen in hun onderwijspraktijk. Inmiddels is ruim tweederde van de leraren uit mijn ontwikkelteam verhuisd naar een andere baan in het afgelopen jaar. Dat moet toch iets zeggen…

En is het nu allemaal nieuw?
Er is veel verzet tegen een ‘nieuw’ curriculum. ‘Moeten we dit er ook nog allemaal bijdoen?’ is een veelgehoorde klacht. Of: ‘Moet het nu weer allemaal anders?’ Toch zijn er maar twee ontwikkelteams met een nieuwe onderwijsinhoud bijgekomen: Burgerschap en Digitale geletterdheid. En naar mijn idee heeft eigenlijk alleen Digitale geletterdheid wezenlijk nieuwe onderwijsinhoud.

Binnen ons eigen ontwikkelteam Mens en Natuur zijn we vooral bezig geweest met definiëren van ons vakgebied. Voor dit brede vakgebied met aardrijkskunde, natuurkunde, scheikunde, biologie, ‘nature of science’, techniek en technologie hebben we een referentiekader beschreven. We kwamen tot de slotsom dat kennis altijd in samenhang bestaat met denkwijzen en werkwijzen. Ook het perspectief van waaruit wij vraagstukken bezien is van belang. Met een ‘technologische bril’ op kijken we immers anders naar de wereld dan met een ‘duurzame bril’. Deze verschillende lagen in het onderwijs zijn helder vormgegeven in onze bouwstenen. Een goede les bestaat nooit alleen uit kennis, maar ook nooit slechts uit vaardigheden. Het is een combinatie van kennis, denkwijzen, werkwijzen en vraagstukken.

Geen nieuwe vakken dus. Wel een actuelere manier van aankijken tegen deze vakken. Hoe zien we de overgang van po naar vo? Hoe vinden we samenhang? Hoe gaan we overladenheid tegen?

Hoe de politiek verder ook gaat beslissen over het toekomstig curriculum, er ligt hier een mooi product waar het onderwijsveld zo mee aan de slag kan in lessen, maar ook binnen thema’s en projecten.

Hoe dan?
Dat ‘HOE’ mogen de scholen zelf invullen maar is eigenlijk ook niet nieuw. Ik durf te beweren dat dit twintig jaar geleden een minder moeilijke vraag was dan op dit moment. Dat komt omdat ons onderwijs ernstig is verschraald. In het primair onderwijs is dat vooral teruggeschroefd naar het op orde hebben van de basis: rekenen en taal (= lezen, spelling, grammatica). Dat kleine stukje van onze linkerhersenhelft dat makkelijk toetsbaar is. Gelukkig komt men steeds meer tot het besef dat scholen dienen bij te dragen aan het vormen van veelzijdige wereldburgers. Mensen die hun eigen kwaliteiten hebben leren ontplooien. Hoe laten wij leerlingen zich verwonderen? Hoe stimuleren wij hun denken? Hoe helpen we leerlingen open te staan voor elkaar? Allemaal vragen die hernieuwde aandacht krijgen in ons onderwijs. Voor sommige scholen is dit dus ook helemaal niet nieuw. Daar is dit gewoon dagelijkse praktijk. Zij zullen waarschijnlijk geïnspireerd raken als ze zich gaan verdiepen in de bouwstenen van curriculum.nu en ze op dit moment al praktisch kunnen gaan inzetten.

Ruimte
Dit vergt wel teams en leraren die sterk zijn en kunnen kijken naar wat nodig is. Het vergt besturen die het over onderwijsinhoud durven hebben. En het vergt een politiek die de werkvloer de ruimte en de middelen verschaft. Want bij dergelijke rijke lessen zijn teams en leerkrachten voortdurend net zo hard aan het leren als de leerlingen. Dat vereist gesprekken en samenwerking die dagelijkse praktijk zijn en geen ‘cadeautje’. Het brengt de leerlingen zoveel meer maar vereist ook meer voorbereidingstijd en inzicht dan alleen lessen uit een methode.

Waar ik trots op ben…

Door de collega’s van mijn ontwikkelteam was mij gevraagd of ik voor onze kraam op de onderwijsmarkt in het Montaigne, wat voorbeelden kon tonen over hoe wij dit rijke onderwijs aanbieden. Onderwijs waarin leerlingen onderzoeken en ontwerpen en waarin ze mogen MAKEN en DOEN, kortom waarin elementen van ons toekomstig curriculum een plek hebben. Natuurlijk was ik trots dat Minister Slob even een praatje kwam maken. Maar nog trotser was ik toen er kinderen langskwamen die verwonderd naar een aantal werkstukjes in onze kraam keken. ‘Oh wat is dat?’ ‘Hoe werkt dit?’ ‘Kunnen wij dit ook gaan doen?’ ‘Hoe heet jullie school? Ik wil ernaartoe…’ Veel van die werkstukjes zijn gemaakt door leerlingen van mijn collega Rita Baptiste die volgend jaar met pensioen gaat. Zij heeft zich haar hele leven beziggehouden met het curriculum van de toekomst. Ik ben dus ook trots op Rita die zich gewoon altijd oriënteert op wat een goed curriculum inhoudt. En ik ben trots op mijn ontwikkelteam Mens & Natuur, waar ik zoveel heb mogen leren en waar we samen in bouwstenen glashelder hebben beschreven waar ons vak over gaat.

Wordt vervolgd,
Juf Annemarie

 

 

 

Leerlingen en hun avatars: verbeelding en verwondering…

Alles in het onderwijs is een race tegen de klok met een minimuum aan middelen. En dat terwijl het onderwijs ons zou moeten behoeden voor afglijden naar barbarij. Maar er is altijd hoop. En hoop is volgens Chesterton: ‘the power of beeing cheerful in curcumstances that we know to be desperate.’ Daar zou ik aan willen toevoegen dat als het grote weinig soulaas brengt, dat we dan oog moeten hebben voor het kleine.

Workshops
Bij dat hele kleine kwam ik terecht toen ik nadacht over de workshops die ik iedere dinsdag moet geven aan een groep leerlingen uit klas 7 en 8. Ik ben dol op fotografie en wilde gezamenlijk met mijn leerlingen de geheimen van een goede compostitie ontsluieren en uitproberen. Daar heb ik goed materiaal over. Maar natuurlijk hebben we niet voor iedereen een fototoestel. Mobieltjes dan? Niet eerlijk tegenover de leerlingen die er geen hebben, merkten mijn collega’s fijntjes op. En had ik wel rekening gehouden met AVG, de huidige privacywet?

Zo klein mogelijk
Ok dan! Als het klein moet zijn dan maken we het klein. Ik grijp gewoon terug op een oud lesidee dat geen drol kost. Het idee komt uit 2013 toen ik net met de nieuwe opzet van deze Woord&beeldclub aan de slag ging. Het leverde mij destijds ook de avatar op die ik nog steeds online gebruik.

IMG_6512

Wat is een Avatar?
Dat wisten veel leerlingen ook niet. Het is een plaatje – vaak een portret van jezelf – dat je gebruikt bij een online account als Twitter, Facebook of Instagram. Zo kunnen bezoekers in een oogopslag al zien met wie of wat ze te maken hebben. Ik vroeg de leerlingen wat ze uit mijn avatar konden opmaken. ‘U houdt van tekenen.’ Helemaal goed. En ik hou van lijnen. Ik had het halve portret ook kunnen inkleuren. De eenvoud van de ballpoint-lijn spreekt me in dit geval aan en benadrukt hier het verschil tussen de tekening en de werkelijkheid. ‘Er komt iets uit uw oor,’ observeerden de leerlingen. Ze legden al gauw de link met gedachten en fantasie en ja, dat is het precies. Het vogeltje en de vlinder die uit mijn oor komen vliegen, staan voor die dingen die in je hoofd zitten en die er graag uitkomen. Soms zie je ze terug in deze blog.

En nu jullie…
Ik sprak met de leerlingen over wat ze wilden uitdrukken met hun avatar. Die kan hun interesse uitdrukken. Waar hou je van? Pokemon is erg in trek op dit moment maar ook superhelden of japanse tekenfilms kunnen je stijl beïnvloeden. Ook kun je emoties vastleggen in een tekening gecombineerd met je portretfoto. Welke emotie willen ze uitdrukken? En welke lijnen en spieren in ons gezicht gebruiken we daarvoor?
gezichtsuitdrukkingen2

Maken
Maken is een proces dat bestaat uit pogingen die worden bijgesteld. Eerst moesten de leerlingen wennen aan de opdracht. Wat wordt er nu precies bedoeld? En hoe werkt dat als je een papiertje met een deel van een getekend gezicht voor je eigen gezicht laat fotograferen? Hoe groot moet ik mijn getekenende gezicht maken? De leerlingen moesten leren aanvoelen hoe het getekende gezicht zich verhoudt tot hun eigen gezicht. Veel uitproberen en bijstellen dus…

Bij de eerste pogingen bleek de breedte van het gezicht en de positionering van de neus lastig. En als iets lastig is kom je op een aanpak, een strategie. Beginnen met de plek van de ogen was er zo één…

En dan verder…

En doorzetten… Hieronder is de concentratie voelbaar in de verschillende fases van het onderzoek.

En als je het dan doorhebt wordt je vrijer en maak je dit… Dit is van dezelfde leerlinge…
IMG_7351

Verbeelding is onbegrensd
Dan blijkt dat er met een klein papiertje op A6-formaat een wereld aan mogelijkheden opengaat. De resultaten zijn expressief en werden gedurende de les technisch steeds beter.

Zo wordt het kleine weer groot en kan een groep leerlingen een hele middag bezig zijn met minimale middelen hun avatar vorm te geven. Ze geven uitdrukking aan hoe stoer, vrolijk, mooi of sprookjesachtig ze kunnen zijn. Ze raken geïnspireerd door elkaars werk, ze proberen uit en schaven bij… Om met Maya Angelou te spreken: ‘You can’t use up creativity. The more you use, the more you have.’

Wordt vervolgd,
Juf Annemarie

 

Voel ik me nog thuis in het onderwijs?

Afgelopen vrijdag bezocht ik de expositie van Do Ho Suh (1962) in museum Voorlinden. Al eerder blies deze kunstenaar me totaal omver in de documentaire ‘Home away from home’ (hier terug te zien in de Close-up serie van de Avro). De Zuid-Koreaan houdt zich bezig met wat het betekent om thuis te zijn. In dit blog schrijf ik over onderwijs. De poetische beelden van Do Ho Suh confronteerden mij met mijn eigen vragen over de huidige stand van zaken. In hoeverre biedt ons onderwijs ons een plek om thuis te kunnen zijn? Is het onderwijs nog wel ‘mijn plek’? In dit artikel heb ik de beelden van Do Ho Suh gekoppeld aan mijn gedachten en vragen over ons huidige onderwijslandschap.

Eenheid of vrijheid?

In de eerste zaal stuitte ik op twee vage portretten van een jongen en een meisje en een serie uniformen. Deze univormen zijn replica’s die Do Ho heeft gemaakt van de eigen originelen die hij in zijn leven heeft gedragen. Het eerste uniform is klein en past een kleuter van een jaar of 4 en het laatste uniform heeft hij op zijn 39ste gedragen tijdens zijn dienstplicht. Voor de foto’s heeft Do Ho zestig portretten van zijn klasgenoten van de middelbare school laten samenvloeien in een stereotype afbeelding van een meisje en een jongen.
Zowel de uniformen als de portretten laten een spanningsveld zien tussen individu en collectief. ‘Natuurlijk, Zuid Korea’, zul je denken, ‘daar moet het individu veel meer in de pas lopen dan hier en dat gaat wringen. Wij dragen hier geen uniformen.’

Maar juist in ons land waar we zo trots zijn op onze vrijheid, lijkt er het meer dan ooit te schuren tussen onze individuele belangen en die van het geheel. Hoe vaak komen ouders niet klagen bij de leerkracht dat de behoeften van hun kind niet aan bod komen in de klas? Hoe heftig is niet de discussie over toetsing? Alle leerlingen dezelfde toets. Is dat wel eerlijk? Moet het anders? Kan het anders? Hoe beoordelen we kwaliteiten en talenten van leerlingen? En kan de leerkracht zelf zijn talenten voldoende kwijt in een onderwijssysteem dat over het algemeen draait op het werken vanuit voorgeschreven methoden? Drijft ons onderwijs op de kracht van systemen, methoden en curricula, of vooral op passie en kunde van individuen?

Die vragen zijn lastig te beantwoorden, maar één ding is zeker: individuen willen worden gezien. Zowel leerlingen als leerkrachten zijn veel meer dan cijfers en dossiers. Zij willen functioneren in een systeem dat recht doet aan wie zij zijn. Daarom is er in zo’n systeem ruimte nodig. Ruimte voor fouten, reflectie, dromen, creativiteit, open eindes… Een mens is immers geen product. Of toch wel? Dan in ieder geval een heel ingewikkeld product dat niet fabrieksmatig kan worden gevormd.

De ruimte die wij zijn

Do Ho verliet Zuid-Korea om in de Verenigde Staten zijn kunstopleiding voort te zetten. Het verlaten van zijn geboorteland maakte hem bewust van wat het betekent om thuis te zijn. Voor hem is een huis als een jas of een tweede huid. De ruimte gaat op jou lijken maar jij neemt ook de ruimte in je op. Hij wil de herinneringen aan de ruimten waar hij heeft gewoond meenemen. Tot in de kleinste details heeft hij zijn voormalige woonhuizen in transparante voile nagemaakt. Een herinnering waar wij nu doorheen kunnen lopen.

Een ruimte kan een thuis zijn. Zo kan taal ook een thuis zijn en vormt familie en de herinneringen die je meedraagt je thuis. Wat dat betreft zijn ook onze leerlingen geen onbeschreven blaadjes. Ze nemen hun eigen thuis en hun geschiedenis met zich mee. Die is heel divers. Voor een project over identiteit maakte ik al eerder eens een filmpje over de achtergronden van onze leerlingen met hun talen en hun geschiedenis, die zij de klas in brengen.

Veel leerlingen hebben net als Do Ho al verschillende huizen achter zich gelaten…

IMG_7532

De trap
IMG_7517

Deze rode zaal met transparante rode trap staat voor mij voor wat onderwijs is. Het verbindt de ene ruimte met de andere. Het verheft, maar dat hoeft niet ineens. Trede voor trede kun je omhoog en weer terug.

Do Ho heeft ook prachtige boduursels gemaakt van trappen. De treden zijn gemaakt van vele draden. Als het goed is zijn de lessen op een school ook weefsels van denkwijzen, kennis en vaardigheden, die voortborduren op de vorige trede en nooit alleen over één ding gaan: de kale kennis. Om dit voor elkaar te kunnen krijgen heeft de leerkracht denktijd nodig om zijn lessen voor te bereiden, te evalueren en bij te slijpen. Hij leert net als de leerling en moet daarvoor de gereedschappen en de ruimte krijgen.

En zo is leren een reis. Een reis om thuis te komen bij jezelf…
IMG_7549

Wij mensen zijn lerende dieren. We bouwen weer voort op wat generaties voor ons geleerd hebben. We moeten leren leren en gaan hier een leven lang mee aan de slag. Dat gebeurt zeker niet alleen op school. Ik zou zelfs willen beweren dat de school als plek waar wij leren onder druk staat. Veel leerlingen voelen zich niet meer thuis op school. Ze vallen buiten de boot. De school en prestatiedruk past niet bij hoe zij leren. Datzelfde geldt voor veel leraren. Hun eigen visie en vakkennis krijgt vaak niet de ruimte. De school is steeds minder een thuis en steeds meer een fabriek.

De huidige onvrede in het onderwijs en het lerarentekort gaat over veel meer dan alleen over geld. Het gaat over hoe het individu kan functioneren in het systeem en of we daar thuis kunnen zijn. Kunnen we onze talenten inzetten? Is er ruimte voor creativiteit en verwondering? Maar ook: kunnen we naar elkaar luisteren en samen een thuis zijn waarin iedereen welkom is?

Dus voel ik me thuis in het onderwijs? Nog wel. Het vak van leerkracht is een prachtig vak. Maar of de school mijn thuis blijft is niet zeker want het jasje wordt steeds meer een uniform. Dus blijft deze vraag voor mij – en ik weet voor vele leraren met mij – de komende tijd een spannende vraag waarop het antwoord nog onzeker is.

Wordt dus vervolgd,
Juf Annemarie

 

 

Iedere leerling brengt zijn verhaal mee…

Daar zit dan mijn klas, op de eerste maandagochtend. Voor deze 31 kinderen uit groep 7 ben ik tot kwart voor drie hun dag. Je geeft complimenten en laat kwartjes vallen, maar corrigeren en confronteren hoort er ook bij. Direct die eerste dag moet iedereen aan de bak in dat veel te krappe lokaal, waar tussen de tafels amper ruimte is om je te bewegen.

Ik heb me vooraf al zeker in 7 methodes moeten verdiepen waarvan een aantal voor mij nieuw zijn. Hiervoor was ik intern begeleider en techniekdocent. Alle lessen maakte ik zelf. Door het lerarentekort is er geen ruimte meer voor techniek. Er is trouwens ook voor leerkrachten geen ruimte meer om ziek te worden. Ieder gaatje in mijn klas is gevuld maar ook alle ruimte in het team is benut. Alle extra dagen en uurtjes die men erbij kon werken zijn ingepland. De rek is eruit. Je kunt dus nu al voorspellen wat een griepgolf voor gevolgen gaat hebben.

Daar kun je beter niet aan denken. Ik leef met de dag en concentreer me op de methoden. Die beginnen overigens nooit gewoon op bladzijde 1. Begeleidend materiaal op het smartboard, extra werkbladen, meerdere niveaus en diverse wachtwoorden passeren de revue. In mijn hoofd het schema van de dag. Vorig jaar liet ik de leerlingen gewoon een werkstuk maken waarin ze een technisch probleem aanpakken. Hoe bouw ik stevig? Hoe laat ik iets vliegen? Hoe balanceert iets? Als leerlingen zich over zo’n probleem buigen krijg je direct een indruk van hun kennis en creativiteit. Want MAKEN is denken met je handen.

Voor MAKEN is in dit rooster geen plek. Want zulke lessen vereisen veel voorbereiding en aanschaf van materialen. Ik merk bij de eerste rekenles al dat heel wat basisvaardigheden nogal roestig uit de vakantie zijn gekomen. Trage tafels van vermenigvuldiging en stroeve cijfersommen vullen de ochtend. Van het ingeleverde werk is de helft niet gemaakt en daarvan is bij een groot aantal leerlingen nog zeker de helft fout. Wat doe je dan? Op naar de volgende vijf vakken die op het schema staan? Er zijn zeker tien leerlingen die het wel onder de knie hebben en een stuk of zes voor wie alles abracadabra is. Er is geen ruimte meer in het lokaal voor een instructietafel. Hoe fixen we dat en geven we deze zes verlengde instructie?

En dan gaat bij alle lesovergangen en kleine afleidingen het dak eraf. Deze groep pakt iedere mogelijkheid om flink te kletsen. De energie moet eruit. Er moet worden bewogen, gezongen en gespeeld. Ze hebben van alles te bespreken. Al die 31 leerlingen willen worden gehoord. Dus doe ik wat bewegingsspelletjes tussendoor en gebruik ik de eerste dag ook om kennis te maken.

Ik laat de leerlingen iets over zichzelf opschrijven wat ze willen delen en waarvan ze denken dat de andere leerlingen het niet van ze weten. De briefjes zijn geheim, worden dubbelgevouwen en in een bak gedaan. Tussen de lessen door trek ik iedere keer een paar briefjes: ‘Dit gaat over een leerling die nog gezellig met een knuffel slaapt. Ra, ra, wie is dit?’ Wijzen, hardop denken, raden… Uiteindelijk wordt de schrijfster van het briefje door de klas aangewezen. Ze bloost maar kijkt ook dapper de klas in. Ik geef direct een compliment: ‘Wat heerlijk dat je nog met je knuffels slaapt. En wat een lef dat je dit gewoon vertelt!’ Stralende oogjes. Ze geeft een korte beschrijving van haar liefste knuffel. Volgende briefje…

Maar niet alle briefjes gaan over knuffels: ‘Ik heb hier een briefje van iemand die in de vakantie de dood van haar moeder heeft herdacht.’ Ik weet wie het is. Ik heb haar broer en zus in de klas gehad. Ze was een peuter toen haar moeder stierf. Ze mist haar. Degene die haar op de wereld zette heeft ze nooit mogen leren kennen. Ik vertel de klas hoe ik nog aan het bed van haar moeder heb gezeten.

De kinderen brengen hun verhalen mee. Verhalen over verre vakanties worden in een oogwenk gevolgd door verhalen over doodgeboren broertjes en zusjes. Wat dat betreft is het een goede groep. Iedereen kan vertellen. Niets is raar.

Aan het eind van de dag draaien in mijn hoofd radartjes. Ik moet hier wat mee. De leerlingen zouden meer tools moeten hebben om hun gevoelens te verbeelden. Op de dinsdagen geven we workshops. Daar zit ruimte. Ik praat erover met mijn collega Rita Baptiste en al snel vormen zich ideeën die een kruisbestuiving zijn tussen techniek en kunst. Eigenlijk kom ik daar altijd op uit. Het is mijn instrument en je voelt dat het moet, dat er een ongelofelijke behoefte aan is.

En ja, we gaan ook hard trekken aan het rekenen en aan al die andere vakken. Men noemt het ‘de basis’ die ‘op orde’ moet zijn. Daarvoor zit je op school. Toch ben ik van mening dat die andere basis ook aan bod moet komen, die verhalen die de leerlingen meebrengen…

Dus wordt vervolgd,
Juf Annemarie