Ik wilde alleen maar dat het stil was. Dat ze met hun eindeloze gebabbel niet keer op keer mijn instructie verstoorden. Ik wilde ook alleen maar dat ze snapten wat het gevolg was van dat eeuwige gekakel. Dat ze zo niet oppikten wat ze moesten leren. Dat ze zo niet konden denken. Dat anderen die het wel wilden snappen er zo niet aan toe kwamen. Dat hun kletsen leidde tot herrie; herrie tot irritatie; irritatie tot conflict en conflict tot vechten. De dag zonder kleerscheuren doorkomen in deze groep 7 met eenendertig leerlingen was een hele toer. Daarom begon ik met ze te laten schrijven. In stilte. 

Stilte is zeldzaam in deze tijd. Overal dringt de buitenwereld zich op. Stilte gaat niet alleen over geluid. Ook vermaak en afleiding zijn overvloedig aanwezig en zoveel makkelijker dan focus en concentratie. Je merkt het in de klas. De aandachtsspanne is kort, evenals veel lontjes.

Stilte is een voorwaarde om na te kunnen denken. Er is zoveel om over na te denken. Voor alle leren is denken nodig. En wat is er heerlijker dan op pad te gaan met je eigen gedachten? Maar toch, als je een leerkracht vraagt hoe hij/zij zijn leerlingen stimuleert om na te denken, krijg je vaak glazige blikken. Leren wordt op de meeste basisscholen vooral gezien als reproduceren van kennis. Over ‘denken’ spreekt men nauwelijks. ‘Creativiteit’ staat wel vaak als belangrijk punt in de schoolgids, maar daarmee bedoelt men vaak ‘knutselen’, een vreselijk woord. En dan heb ik het nog niet eens over dat kwetsbare knooppunt van aandacht, toeval en tijd: inspiratie. Maar goed. Je moet ergens beginnen. En ik begon bij stilte.

Voor de eerste les geef ik ze allemaal een schrijfschrift en zeg tegen ze: ‘woorden hebben macht. Soms kunnen verhalen je uit de meest hopeloze situatie redden.’ Ik vertel over de Koerdische vluchteling, dichter en journalist – Behrouz Boochani – die op het eiland Manus illegaal gevangen werd gezet. Ik beschrijf hoe zijn woorden op een geheime telefoon stiekem via tekstberichten de vrijheid invlogen en uiteindelijk een boek werden, bekroond met vele belangrijke prijzen. ‘Dat lukt je niet zomaar,’ vertel ik ze. ‘Deze man heeft geoefend voor hij goed kon schrijven en vandaag gaan jullie je eerste schrijfoefening doen.’

We analyseren wat Boochani allemaal is kwijtgeraakt. Zo komen de leerlingen vooral op ‘vrijheid’. Ze proberen in eigen woorden te vertellen waarom ze dit zo’n belangrijk gemis vinden. ‘Iedereen heeft wel herinneringen aan iets wat we zijn verloren,’ ga ik verder. ‘Dat kan zoiets kleins zijn als een haarknipje maar ook een geliefd iemand of een belangrijke vriendschap.’ Ze moeten dus gaan schrijven over iets dat ze zijn kwijtgeraakt. ‘Schrijven is van jezelf,’ verklaar ik plechtig. ‘Je doet het in stilte. je moet je eigen gedachten kunnen horen.’ 

‘Nee,’ schudt mijn hoofd tegen de leerling die direct al naar mijn tafel wil komen. ‘Denk eerst rustig na, dan komt het vanzelf,’ zeg ik tegen een ander die niet gelijk weet wat hij moest schrijven. Ik werp ze terug op zichzelf. En voor het eerst in dit schooljaar is het stil. Echt stil. De rust overvalt me. Een zalig kwartier lang. Daarna zijn ze enthousiast en trots. ‘Wie durft er zijn werk voor te lezen?’ vraag ik. Bijna alle vingers gaan omhoog.

De oogst van de eerste opdracht heeft me overweldigd. De leerlingen kunnen verlies raker beschrijven dan ik had verwacht. Er komt van alles langs: Een geliefde oma die eindigt aan een zuurstofapparaat; achtergelaten scholen, vrienden en buurten na een verhuizing; broertjes en zusjes die wel zijn geboren maar slechts kort het levenslicht zagen; een moeder die overleed toen de leerling een peuter was en zo altijd een geliefde onbekende blijft… Het is veel. Heel veel. Je realiseer je dan wat je allemaal in de klas hebt. Eenendertig levens. 

Ook in de daaropvolgende opdrachten gaan ze hard aan het werk. Ze kunnen hun herinneringen en gedachten vaak goed onder woorden brengen. Niet iedere klas krijgt dit voor elkaar en niet elke groep heeft zo’n open sfeer dat iedereen zijn werk graag wil voorlezen. Ik benoem hun talenten, benadruk mooie stukjes tekst en ondersteun ze met technieken. Wat kun je allemaal vertellen over een personage? Hoe schrijf je dialogen? Hoe gebruik je je zintuigen in een verhaal? Wat wil je zeggen met je einde? 

Ik draag mooie voorbeelden aan en krijg stukjes uit hun belevingswereld terug. Ik lees gedichtjes van Joke van Leeuwen voor. Eén over schrammen, blaren en builen:

‘Hoe komt daar die blaar? Hoe komt daar die blaar?
Dat komt: ik heb prachtige schoenen. Vandaar.

Ik vraag naar herinneringen bij hun littekens, vlekjes en spotjes. Daardoor kom ik te weten dat H. nog geopereerd moet worden aan zijn arm waar de pinnen nog uit moeten. Daardoor komt N. de volgende dag bij me met een foto van haar vader op haar mobiel.
‘Wilt u het echt nog steeds zien?’

‘Ja, natuurlijk.’ Ik zie een man met een ontblote buik en daarop een enorme jaap. ‘Zo dat is een groot litteken. Waaraan is je vader geopereerd?’

‘Een gezwel boven zijn nieren.’

‘Zo dan! Wanneer was dat?’

‘Vorig jaar juf.’

‘Dan hebben jullie zeker een heftig jaar gehad. Hoe is het nu?’

‘Ja juf. Zwaar juf. Nu wel iets beter.’

Bij de opdracht te beschrijven waar ze bang voor zijn – en uitgenodigd worden met ideeën te komen om hun angst te overwinnen – geef ik het voorbeeld van columnist en auteur James Worthy (39). Hij geeft zijn angsten hondennamen. Zijn angst voor de dood heet Benji, zijn vliegangst heet Jarno en zijn angst voor roltrappen heeft hij Arthur genoemd. De leerlingen waarderen zijn creativiteit en komen ook zelf met interessante ervaringen en gedachten. Ze beschrijven hun angsten voor jeugdzorg en vaders met messen tot en met clowns en vertellen over hun oplossingen: 

‘Een echte clown in het circus interviewen.’

‘Een bescherm-knuffel-eenhoorn.’ 

‘Je enge dromen opschrijven en aan je moeder voorlezen.’ 

Ondertussen vult hun taalrugzak zich met schatten. Bovendien leren ze luisteren naar elkaar, wat ook nog wel een dingetje is in deze groep. ‘Een echte schrijver kan goed luisteren en observeren,’ houdt ik ze voor. Want ze willen graag goed kunnen schrijven. Het schrijven heeft status gekregen in de groep. Ik heb voorgesteld hun beste werk te bundelen en een gezamenlijk boek uit te geven bij ‘Brave New Books’. Dat idee werd met gejuich ontvangen. Ze dromen alvast van gigantische opbrengsten. Mijn opmerking dat ze zich niet rijk moeten rekenen en dat waarschijnlijk alleen vrienden en familie zo’n boek zullen aanschaffen, mag de pret niet drukken. De één wil gezamenlijk gaan eten bij MacDonalds en de ander denkt aan een goed doel. Ik ben blij met de rust die langzamerhand steeds meer ruimte krijgt in de klas. 

Al moet ik nog steeds alle zeilen bijzetten. Lesgeven aan deze groep blijft een enorme kluif. En natuurlijk krijg ik op bepaalde momenten nog altijd een punthoofd van ze. Maar als ik dat dan roep zeggen ze: 

‘Dat is een metafoor juf,’ en dan zeg ik:

‘Ja, heel goed! Bedenken jullie eens een betere metafoor voor mijn ontplofte hoofd. Als jullie nu stil aan het werk gaan wil ik er straks wel een paar voorlezen.’ 

Wordt vervolgd,
Juf Annemarie

 

»

  1. Rob Alberts schreef:

    In stilte gelezen.

    Stille groet,

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.