Daar zit dan mijn klas, op de eerste maandagochtend. Voor deze 31 kinderen uit groep 7 ben ik tot kwart voor drie hun dag. Je geeft complimenten en laat kwartjes vallen, maar corrigeren en confronteren hoort er ook bij. Direct die eerste dag moet iedereen aan de bak in dat veel te krappe lokaal, waar tussen de tafels amper ruimte is om je te bewegen.

Ik heb me vooraf al zeker in 7 methodes moeten verdiepen waarvan een aantal voor mij nieuw zijn. Hiervoor was ik intern begeleider en techniekdocent. Alle lessen maakte ik zelf. Door het lerarentekort is er geen ruimte meer voor techniek. Er is trouwens ook voor leerkrachten geen ruimte meer om ziek te worden. Ieder gaatje in mijn klas is gevuld maar ook alle ruimte in het team is benut. Alle extra dagen en uurtjes die men erbij kon werken zijn ingepland. De rek is eruit. Je kunt dus nu al voorspellen wat een griepgolf voor gevolgen gaat hebben.

Daar kun je beter niet aan denken. Ik leef met de dag en concentreer me op de methoden. Die beginnen overigens nooit gewoon op bladzijde 1. Begeleidend materiaal op het smartboard, extra werkbladen, meerdere niveaus en diverse wachtwoorden passeren de revue. In mijn hoofd het schema van de dag. Vorig jaar liet ik de leerlingen gewoon een werkstuk maken waarin ze een technisch probleem aanpakken. Hoe bouw ik stevig? Hoe laat ik iets vliegen? Hoe balanceert iets? Als leerlingen zich over zo’n probleem buigen krijg je direct een indruk van hun kennis en creativiteit. Want MAKEN is denken met je handen.

Voor MAKEN is in dit rooster geen plek. Want zulke lessen vereisen veel voorbereiding en aanschaf van materialen. Ik merk bij de eerste rekenles al dat heel wat basisvaardigheden nogal roestig uit de vakantie zijn gekomen. Trage tafels van vermenigvuldiging en stroeve cijfersommen vullen de ochtend. Van het ingeleverde werk is de helft niet gemaakt en daarvan is bij een groot aantal leerlingen nog zeker de helft fout. Wat doe je dan? Op naar de volgende vijf vakken die op het schema staan? Er zijn zeker tien leerlingen die het wel onder de knie hebben en een stuk of zes voor wie alles abracadabra is. Er is geen ruimte meer in het lokaal voor een instructietafel. Hoe fixen we dat en geven we deze zes verlengde instructie?

En dan gaat bij alle lesovergangen en kleine afleidingen het dak eraf. Deze groep pakt iedere mogelijkheid om flink te kletsen. De energie moet eruit. Er moet worden bewogen, gezongen en gespeeld. Ze hebben van alles te bespreken. Al die 31 leerlingen willen worden gehoord. Dus doe ik wat bewegingsspelletjes tussendoor en gebruik ik de eerste dag ook om kennis te maken.

Ik laat de leerlingen iets over zichzelf opschrijven wat ze willen delen en waarvan ze denken dat de andere leerlingen het niet van ze weten. De briefjes zijn geheim, worden dubbelgevouwen en in een bak gedaan. Tussen de lessen door trek ik iedere keer een paar briefjes: ‘Dit gaat over een leerling die nog gezellig met een knuffel slaapt. Ra, ra, wie is dit?’ Wijzen, hardop denken, raden… Uiteindelijk wordt de schrijfster van het briefje door de klas aangewezen. Ze bloost maar kijkt ook dapper de klas in. Ik geef direct een compliment: ‘Wat heerlijk dat je nog met je knuffels slaapt. En wat een lef dat je dit gewoon vertelt!’ Stralende oogjes. Ze geeft een korte beschrijving van haar liefste knuffel. Volgende briefje…

Maar niet alle briefjes gaan over knuffels: ‘Ik heb hier een briefje van iemand die in de vakantie de dood van haar moeder heeft herdacht.’ Ik weet wie het is. Ik heb haar broer en zus in de klas gehad. Ze was een peuter toen haar moeder stierf. Ze mist haar. Degene die haar op de wereld zette heeft ze nooit mogen leren kennen. Ik vertel de klas hoe ik nog aan het bed van haar moeder heb gezeten.

De kinderen brengen hun verhalen mee. Verhalen over verre vakanties worden in een oogwenk gevolgd door verhalen over doodgeboren broertjes en zusjes. Wat dat betreft is het een goede groep. Iedereen kan vertellen. Niets is raar.

Aan het eind van de dag draaien in mijn hoofd radartjes. Ik moet hier wat mee. De leerlingen zouden meer tools moeten hebben om hun gevoelens te verbeelden. Op de dinsdagen geven we workshops. Daar zit ruimte. Ik praat erover met mijn collega Rita Baptiste en al snel vormen zich ideeën die een kruisbestuiving zijn tussen techniek en kunst. Eigenlijk kom ik daar altijd op uit. Het is mijn instrument en je voelt dat het moet, dat er een ongelofelijke behoefte aan is.

En ja, we gaan ook hard trekken aan het rekenen en aan al die andere vakken. Men noemt het ‘de basis’ die ‘op orde’ moet zijn. Daarvoor zit je op school. Toch ben ik van mening dat die andere basis ook aan bod moet komen, die verhalen die de leerlingen meebrengen…

Dus wordt vervolgd,
Juf Annemarie

 

 

 

»

  1. Rob Alberts schreef:

    Wat een mooie open en eerlijke weergave van jouw eerste dag.

    Ik hoop dat alle indrukken ook voor jou energie opleverde.

    Optimistische groet,

    • Annemarie schreef:

      Dank voor je reactie Rob. Ik haal altijd inspiratie uit een schooldag al zijn de omstandigheden niet makkelijk. Je moet vooral de ruimte en mogelijkheden opzoeken en dat ga ik ook dit schooljaar weer doen.

  2. Lisette Rinke de Wit schreef:

    Mooi, herkenbaar en ja ook triest. Geweldig dat je de wens van zoveel leerkrachten verwoord om meer uit de kinderen te halen…

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.